Art. 6, Individuele referentiehoeveelheden
1. Vóór 1 juni 2004 stellen de lidstaten de individuele referentiehoeveelheden van de producenten vast op basis van de overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 in het tijdvak van twaalf maanden dat aanvangt op 1 april 2003 toegekende individuele referentiehoeveelheden.
2. Producenten kunnen beschikken over een of over twee individuele referentiehoeveelheden, waarvan een voor leveringen en een voor rechtstreekse verkoop. Alleen de bevoegde autoriteit van de lidstaat kan op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de producent een omzetting van de ene in de andere referentiehoeveelheid verrichten.
3. Beschikt de producent over twee referentiehoeveelheden, dan wordt zijn bijdrage in de eventueel verschuldigde heffing voor elke referentiehoeveelheid afzonderlijk berekend.
4. Ter compensatie van de Finse "SLOM"-producenten kan de aan de in artikel 1 bedoelde leveringen toegekende Finse nationale referentiehoeveelheid volgens de procedure van artikel 23, lid 2, worden verhoogd tot maximaal 200000 ton. Deze overeenkomstig de communautaire wetgeving toe te kennen reserve mag uitsluitend worden gebruikt voor producenten wier recht om de productie te hervatten ten gevolge van de toetreding is aangetast.
5. De individuele referentiehoeveelheden worden in voorkomend geval voor elk van de betrokken tijdvakken van twaalf maanden zodanig aangepast dat de som van de individuele referentiehoeveelheden voor leveringen en die voor rechtstreekse verkoop het in bijlage I vastgestelde desbetreffende gedeelte van de overeenkomstig artikel 8 aangepaste nationale referentiehoeveelheid niet overschrijdt, rekening houdend met eventuele verminderingen voor aan de in artikel 14 bedoelde nationale reserve toegevoegde hoeveelheden.