Art. 13 Richtlijn 2003/55/EG, Ontvlechting van distributiesysteembeheerders
1. Wanneer de distributiesysteembeheerder deel uitmaakt van een verticaal geïntegreerd bedrijf, moet hij, althans met betrekking tot zijn rechtsvorm, organisatie en besluitvorming, onafhankelijk zijn van andere, niet met distributie samenhangende activiteiten. Deze regels houden geen verplichting in om de eigendom van de activa van het distributiesysteem af te scheiden van het verticaal geïntegreerde bedrijf.
2. Wanneer de distributiesysteembeheerder deel uitmaakt van een verticaal geïntegreerd bedrijf, moet hij, naast de in lid 1 bedoelde eisen, met betrekking tot zijn organisatie en besluitvorming, onafhankelijk zijn van andere, niet met distributie samenhangende activiteiten. Om dit te verwezenlijken, gelden de volgende minimumcriteria:
a) de personen die verantwoordelijk zijn voor het bestuur van de distributiesysteembeheerder maken geen deel uit van bedrijfsstructuren van het geïntegreerde aardgasbedrijf die direct of indirect verantwoordelijk zijn voor het dagelijkse beheer van de productie, transmissie en levering van aardgas;
b) er worden passende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat op zodanige wijze rekening wordt gehouden met de professionele belangen van de personen die verantwoordelijk zijn voor het bestuur van de distributiesysteembeheerder, dat gewaarborgd is dat zij onafhankelijk kunnen functioneren;
c) de distributiesysteembeheerder beschikt over effectieve bevoegdheden om onafhankelijk van het geïntegreerde gasbedrijf besluiten te nemen met betrekking tot de activa die nodig zijn voor de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het netwerk. Dit vormt geen beletsel voor passende coördinatieregelingen die ervoor moeten zorgen dat de rechten van de moedermaatschappij op economisch toezicht en beheerstoezicht met betrekking tot het rendement van de investering in een dochtermaatschappij, zoals indirect vastgesteld overeenkomstig artikel 25, lid 2, beschermd worden. Dit houdt met name in dat de moedermaatschappij goedkeuring kan hechten aan het jaarlijks financieel plan, of elk equivalent instrument, van de transmissiesysteembeheerder en globale limieten kan vaststellen betreffende de schuldenlast van haar dochtermaatschappij. Dit houdt niet in dat de moedermaatschappij instructies kan geven betreffende de dagelijkse bedrijfsvoering, noch betreffende afzonderlijke beslissingen over de aanleg of de verbetering van de distributielijnen die niet verder gaan dan de voorwaarden van het goedgekeurd financieel plan, of elk equivalent instrument;
d) de distributiesysteembeheerder stelt een nalevingsprogramma vast met maatregelen om te waarborgen dat discriminerend gedrag uitgesloten is en zorgt ervoor dat er adequaat toezicht wordt gehouden op de naleving ervan. Het programma bevat de specifieke verplichtingen van de werknemers ter verwezenlijking van die doelstelling. De persoon of instantie die verantwoordelijk is voor het toezicht op het nalevingsprogramma dient bij de in artikel 25, lid 1, bedoelde regelgevende instantie jaarlijks een verslag in waarin de genomen maatregelen worden uiteengezet. Dit verslag wordt gepubliceerd.
De lidstaten kunnen besluiten de leden 1 en 2 niet toe te passen op geïntegreerde aardgasbedrijven die minder dan 100000 aangesloten afnemers bedienen.