Art. 1 Verordening (EG) nr. 314/2002

Verordening (EG) nr. 314/2002

1. Voor de toepassing van de artikelen 13 tot en met 18 van Verordening (EG) nr. 1260/2001 wordt onder suikerproductie verstaan de totale, in witte suiker uitgedrukte hoeveelheid:

a) witte suiker;

b) ruwe suiker;

c) invertsuiker;

d) tot een van de volgende categorieën behorende stroop, hierna "stroop" te noemen:

- sacharosestroop en invertsuikerstroop die zijn vervaardigd van suikerbieten en een zuiverheid van ten minste 70 % hebben,

- sacharosestroop en invertsuikerstroop die zijn vervaardigd van suikerriet en een zuiverheid van ten minste 75 % hebben.

2. Van de berekening van de in lid 1 bedoelde hoeveelheid worden uitgesloten:

a) de hoeveelheid witte suiker vervaardigd van ruwe suiker of stroop welke niet werd geproduceerd in de onderneming die deze witte suiker heeft vervaardigd;

b) de hoeveelheid witte suiker vervaardigd van ruwe suiker, stroop of suikerveegsel die of dat niet gedurende hetzelfde verkoopseizoen werd geproduceerd als deze witte suiker;

c) de hoeveelheid ruwe suiker vervaardigd van stroop welke niet werd geproduceerd in de onderneming die deze ruwe suiker heeft vervaardigd;

d) de hoeveelheid ruwe suiker vervaardigd van stroop welke niet gedurende hetzelfde verkoopseizoen werd geproduceerd als deze ruwe suiker;

e) de hoeveelheid ruwe suiker die gedurende het betrokken verkoopseizoen in de onderneming die deze ruwe suiker heeft vervaardigd, tot witte suiker werd verwerkt;

f) de hoeveelheid invertsuiker en stroop welke tot alcohol of rum werd verwerkt;

g) de hoeveelheid stroop welke gedurende het betrokken verkoopseizoen in de onderneming die deze stroop heeft vervaardigd, tot suiker of invertsuiker werd verwerkt;

h) de hoeveelheid als boterhambeleg te gebruiken stroop en tot "Rinse appelstroop" te verwerken stroop;

i) de hoeveelheid suiker, invertsuiker en stroop, geproduceerd in het kader van de regeling veredelingsverkeer;

j) de hoeveelheid invertsuiker vervaardigd van stroop welke niet werd geproduceerd in de onderneming die deze invertsuiker heeft vervaardigd;

k) de hoeveelheid invertsuiker vervaardigd van stroop welke niet gedurende hetzelfde verkoopseizoen werd geproduceerd als deze invertsuiker.

3. De productie wordt als volgt in witte suiker uitgedrukt:

a) wanneer het om witte suiker gaat, zonder rekening te houden met de kwaliteitsverschillen;

b) wanneer het om ruwe suiker gaat, op basis van het rendement bepaald overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1260/2001;

c) wanneer het om invertsuiker gaat, door de productie daarvan met de coëfficiënt 1 te vermenigvuldigen;

d) wanneer het gaat om stroop welke als tussenproduct moet worden beschouwd, aan de hand van het overeenkomstig lid 5 vastgestelde gehalte aan winbare suiker;

e) wanneer het gaat om stroop welke niet als tussenproduct moet worden beschouwd, aan de hand van het suikergehalte dat wordt uitgedrukt in sacharose overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2135/95 van de Commissie(4).

4. Suikerveegsel afkomstig van een vorig verkoopseizoen wordt in witte suiker uitgedrukt aan de hand van het sacharosegehalte.

5. De zuiverheid van de stroop wordt berekend door het gehalte aan alle soorten suiker te delen door het gehalte aan droge stof.

Het gehalte aan winbare suiker wordt berekend door op het getal van de polarisatiegraad van de betrokken stroop in mindering te brengen het resultaat van de vermenigvuldiging van de coëfficiënt 1,70 met het verschil tussen het getal van het gehalte aan droge stof en het getal van de polarisatiegraad van deze stroop. Het gehalte aan droge stof wordt bepaald volgens de areometrische methode.

Voor eenzelfde verkoopseizoen in zijn geheel kan het gehalte aan winbare suiker evenwel aan de hand van het werkelijke rendement van de stroop worden bepaald.

Volgende artikelen