Art. 22, Bepaling van de oppervlakten
1. De oppervlakte van de percelen landbouwgrond wordt bepaald met behulp van ieder door de bevoegde instantie omschreven geschikt middel dat een meetnauwkeurigheid garandeert die ten minste overeenkomt met die welke volgens de nationale bepalingen voor officiële metingen is vereist. De bevoegde instantie stelt een tolerantiemarge vast met inachtneming van de gebruikte meettechniek, de nauwkeurigheid van de beschikbare officiële documenten, de plaatselijke situatie, zoals de helling of de vorm van de percelen, en het bepaalde in lid 2.
2. De totale oppervlakte van een perceel landbouwgrond kan in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat het volgens de gebruikelijke normen van de betrokken lidstaat of regio een volledig gebruikt perceel betreft. Is dit niet het geval, dan wordt de werkelijk gebruikte oppervlakte in aanmerking genomen.
Ten aanzien van regio's waar bepaalde elementen, met name heggen, sloten en muren, van oudsher deel uitmaken van een goede teelt- of gebruikspraktijk in de landbouw, kunnen de lidstaten beslissen dat de oppervlakte van die elementen als een deel van het volledige gebruikte perceel wordt beschouwd, op voorwaarde dat een door de lidstaten vast te stellen totale breedte niet wordt overschreden. Deze breedte moet overeenstemmen met de traditionele breedte in de betrokken regio en mag niet meer dan 2 m bedragen.
De lidstaten kunnen, na voorafgaande kennisgeving aan de Commissie, een breedte van meer dan 2 m toestaan indien de desbetreffende oppervlakte in aanmerking is genomen bij de vaststelling van de opbrengsten van de betrokken regio's.
3. Of de percelen landbouwgrond voor steun in aanmerking komen, wordt nagegaan met behulp van ieder geschikt middel. Zo nodig worden daarbij aanvullende bewijzen verlangd.