Art. 36 Verordening (EG) nr. 1808/2001

Verordening (EG) nr. 1808/2001

1. Met het oog op artikel 34, lid 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a) In gevangenschap geboren en gefokte vogels worden gemerkt overeenkomstig lid 5 of, wanneer ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie is aangetoond dat deze methode wegens de lichamelijke of gedragskenmerken van het betrokken dier niet kan worden toegepast, door middel van een fraudebestendige microchiptransponder met een uniek nummer, die voldoet aan de ISO-normen 11784:1996 (E) en 11785:1996 (E);

b) levende gewervelde dieren die geen in gevangenschap geboren en gefokte vogels zijn, worden gemerkt met behulp van een fraudebestendige microchiptransponder met een uniek nummer, die voldoet aan de ISO-normen 11784:1996 (E) en 11785:1996 (E), of de betrokken specimens worden, wanneer ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie is aangetoond dat voornoemde methode wegens de lichamelijke of gedragskenmerken van de betrokken specimens c.q. soorten niet geschikt is, gemerkt met behulp van een ring, manchet, label, tatoeage of soortgelijk identificatiemiddel met een uniek nummer, of zij worden op een andere passende wijze herkenbaar gemaakt.

2. Artikel 34, lid 1, is niet van toepassing wanneer ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie wordt aangetoond dat de lichamelijke kenmerken van de betrokken specimens van dien aard zijn, dat op het moment van de afgifte van het desbetreffende certificaat geen enkele merkingsmethode veilig kan worden toegepast. In dit geval vermeldt de betrokken administratieve instantie dit feit in vak 20 van het certificaat of vermeldt zij daar - wanneer op een later tijdstip een merkingsmethode veilig kan worden toegepast - de passende bedingen.

3. Specimens die vóór 1 januari 2002 met een niet aan de ISO-normen 11784:1996 (E) en 11785:1996 (E) beantwoordende microchiptransponder werden gemerkt, of die vóór 1 juni 1997 volgens één van de in lid 1 genoemde methoden werden gemerkt, of die overeenkomstig lid 4 werden gemerkt voordat zij de Gemeenschap werden binnengebracht, worden geacht overeenkomstig het bepaalde in lid 1 te zijn gemerkt.

4. De in artikel 34, lid 2, en artikel 35 bedoelde specimens worden gemerkt volgens de methode die door de conferentie der partijen bij de overeenkomst voor de betrokken specimens is goedgekeurd of aanbevolen.

5. In gevangenschap geboren en gefokte vogels worden gemerkt met behulp van een naadloze, gesloten pootring - d.w.z. een ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid - die van een uniek merkteken is voorzien, waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet meer kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt, en die commercieel voor dat doel is vervaardigd.

Uitspraken die dit artikel aanhalen