Art. 41 Verordening (EG) nr. 1808/2001

Verordening (EG) nr. 1808/2001

1. Zodra overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 338/97 een beperking is opgelegd en totdat deze beperking wordt opgeheven, wijzen de lidstaten aanvragen voor invoervergunningen voor uit het (de) betrokken land(en) van herkomst uitgevoerde specimens af.

2. In afwijking van lid 1 mag een invoervergunning worden afgegeven wanneer:

a) de aanvraag van een invoervergunning was ingediend voordat de beperking werd opgelegd, en

b) ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie van de lidstaat het bestaan wordt aangetoond van een contract of bestelling waarvoor de betaling is verricht of als gevolg waarvan de specimens reeds zijn verzonden.

3. De geldigheidsduur van een krachtens de in lid 2 genoemde afwijking verleende invoervergunning mag ten hoogste één maand bedragen.

4. De in lid 1 bedoelde beperkingen zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op:

a) overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26 in gevangenschap geboren en gefokte of kunstmatig gekweekte specimens;

b) specimens die worden ingevoerd voor de in artikel 8, lid 3, onder e), f) of g), van Verordening (EG) nr. 338/97 omschreven doeleinden;

c) levende of dode specimens die deel uitmaken van het huisraad van personen die de Gemeenschap binnenkomen om zich daar te vestigen.