Art. 20 Verordening (EG) nr. 1808/2001

Verordening (EG) nr. 1808/2001

1. Een administratieve instantie van een lidstaat waar zich specimens bevinden, mag, wanneer zij overeenkomstig de leden 5 en 6 een aanvraag ontvangt, de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde certificaten afgeven, en zulks uitsluitend voor de in die leden gespecificeerde doeleinden.

2. In een certificaat voor de in artikel 5, lid 2, onder b), en leden 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden wordt bevestigd dat de specimens:

a) aan de natuur werden onttrokken overeenkomstig de op het grondgebied van de betrokken lidstaat geldende wetgeving, of

b) achtergelaten of ontsnapte specimens zijn die overeenkomstig de op het grondgebied van de betrokken lidstaat geldende wetgeving in bewaring werden genomen, of

c) in de Gemeenschap werden verkregen of werden binnengebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 338/97, of

d) vóór 1 juni 1997 in de Gemeenschap werden verkregen of werden binnengebracht overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3626/82 van de Raad(5), of

e) vóór 1 januari 1984 in de Gemeenschap werden verkregen of werden binnengebracht overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst, of

f) op het grondgebied van een lidstaat werden verkregen of daar werden binnengebracht voordat de bepalingen van de onder c) of d) bedoelde verordeningen of van de overeenkomst daarop van toepassing werden of in die lidstaat van toepassing werden.

3. In een certificaat voor de in artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden wordt bevestigd dat de betrokken specimens van een in bijlage A bij die verordening opgenomen soort niet vallen onder één of meer verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van die verordening omdat zij:

a) in de Gemeenschap werden verkregen of werden binnengebracht toen de bepalingen betreffende de soorten die in die bijlage, in bijlage I bij de overeenkomst of in bijlage C1 bij Verordening (EEG) nr. 3626/82 worden genoemd, niet op deze specimens van toepassing waren, of

b) van oorsprong zijn uit een lidstaat en overeenkomstig de op het grondgebied van deze lidstaat geldende wetgeving aan de natuur werden onttrokken, of

c) achtergelaten of ontsnapte specimens zijn, die overeenkomstig de op het grondgebied van de betrokken lidstaat geldende wetgeving in bewaring werden genomen, of

d) in gevangenschap geboren en gefokte dieren of delen daarvan of afgeleide producten daarvan zijn, of

e) mogen worden gebruikt voor één van de in artikel 8, lid 3, onder c) en onder e), f) en g), van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden.

4. In een certificaat voor de in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden wordt bevestigd dat de overbrenging van de betrokken levende specimens van een in bijlage A bij die verordening opgenomen soort vanaf de voorgeschreven plaats zoals vermeld in de invoervergunning of in een eerder afgegeven certificaat, wordt toegestaan.

5. De aanvrager dient in voorkomend geval de vakken 1, 2 en 4 tot en met 19 van het aanvraagformulier en de vakken 1 en 4 tot en met 18 van het origineel en van alle kopieën in te vullen. De lidstaten kunnen echter bepalen dat alleen een aanvraag moet worden ingevuld; in een dergelijk geval mag deze aanvraag betrekking hebben op meer dan één certificaat.

6. Het naar behoren ingevulde formulier moet worden ingediend bij een administratieve instantie van de lidstaat waar de specimens zich bevinden en moet de gegevens bevatten en vergezeld gaan van de bewijsstukken welke deze instantie noodzakelijk acht om te kunnen vaststellen of een certificaat moet worden afgegeven. Het niet vermelden van gegevens in de aanvraag wordt gemotiveerd. Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor een certificaat met betrekking tot specimens waarvoor een dergelijke aanvraag eerder is afgewezen, moet de aanvrager de administratieve instantie van deze eerdere afwijzing in kennis stellen.