Art. 1
Voor de doeleinden van de onderhavige richtlijn wordt verstaan onder:
1. Farmaceutische specialiteit: elk tevoren bereid geneesmiddel dat onder een speciale benaming en in een bijzondere verpakking in de handel wordt gebracht.
2. Geneesmiddel: elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens.
Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die aan de mens toegediend kan worden teneinde een medische diagnose te stellen of om fysiologische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, wordt eveneens als geneesmiddel beschouwd.
3. Substantie: elke stof, ongeacht haar oorsprong zijnde:
- menselijke oorsprong, zoals:
menselijk bloed en daarvan afgeleide producten;
- dierlijke oorsprong, zoals:
micro-organismen, gehele dieren, delen van organen, afscheidingsproducten van dieren, toxinen, door extractie verkregen substanties, van bloed afgeleide producten;
- plantaardige oorsprong, zoals:
micro-organismen, planten, delen van planten, plantaardige afscheidingsproducten, door extractie verkregen substanties;
- chemische oorsprong, zoals:
elementen, natuurlijke chemische stoffen en chemische producten verkregen door omzetting of synthese.
4. Immunologisch geneesmiddel: elk geneesmiddel bestaande uit vaccins, toxinen, serums of allergenen:
a) de vaccins, toxinen of serums omvattend met name:
i) de stoffen die worden gebruikt om een actieve immuniteit teweeg te brengen zoals het choleravaccin, het B.C.G.-vaccin, de vaccins tegen poliomyelitis en pokken;
ii) de stoffen die worden gebruikt om immuniteit vast te stellen; deze stoffen omvatten met name tuberculine en PPD-tuberculine, de Schick- en Dick-toxinen, brucelline;
iii) de stoffen die worden gebruikt om een passieve immuniteit teweeg te brengen zoals het difterie-antitoxine, de globulinen tegen pokken en tegen lymfocytosis;
b) de allergene producten, zijnde elk geneesmiddel, bestemd om een specifieke en verworven wijziging in de immunologische reactie op een allergie veroorzakend agens vast te stellen of teweeg te brengen.
5. Homeopathisch geneesmiddel: elk geneesmiddel dat volgens een in de Europese Farmacopee of, bij ontstentenis daarvan, in de thans in de lidstaten officieel gebruikte farmacopees beschreven homeopathisch fabricageprocédé wordt verkregen uit homeopathische grondstoffen genoemde producten, substanties of mengsels.
Een homeopathisch geneesmiddel kan ook verscheidene werkzame bestanddelen bevatten.
6. Radiofarmaceuticum: elk geneesmiddel dat, wanneer het gebruiksklaar is, een of meer radionucliden (radioactieve isotopen) bevat, welke daarin voor medische doeleinden is, respectievelijk zijn geïncorporeerd.
7. Radionuclidegenerator: elk systeem dat een gebonden ouder-radionuclide bevat waaruit een dochter-radionuclide ontstaat, verkregen door elutie of enige andere methode en die in een radiofarmaceuticum wordt gebruikt.
8. Radionuclidekit: elk preparaat dat moet worden gereconstrueerd of gecombineerd met radionucliden in het uiteindelijke radiofarmaceuticum, doorgaans vóór de toediening ervan.
9. Radionuclideuitgangsstof: elke andere radionuclide voor het radioactief labelen van een andere stof, vóór de toediening ervan.
10. Uit menselijk bloed of van menselijk plasma bereid geneesmiddel: geneesmiddel op basis van bloedbestanddelen die door openbare en particuliere bedrijven op industriële wijze worden bereid; tot dit geneesmiddel behoren inzonderheid albumine, stollingsfactoren en immoglobulinen van menselijke oorsprong.
11. Bijwerking: een reactie op een geneesmiddel die schadelijk en onbedoeld is en die optreedt bij doses die normaal bij de mens voor de profylaxe, diagnose of behandeling van een ziekte of voor het herstel, de correctie of de wijziging van een fysiologische functie worden gebruikt.
12. Ernstige bijwerking: een bijwerking die tot de dood leidt, levensgevaar oplevert, opneming in een ziekenhuis of een verlenging van een verblijf in een ziekenhuis vereist, blijvende of significante invaliditeit of arbeidsongeschiktheid veroorzaakt of een aangeboren afwijking/geboorteafwijking is.
13. Onverwachte bijwerking: een bijwerking waarvan de aard, de ernst of het gevolg niet verenigbaar is met de samenvatting van de kenmerken van het product.
14. Periodiek veiligheidsverslag: het periodieke verslag met de in artikel 104 vermelde gegevens.
15. Veiligheidsonderzoek na toelating: een farmaco-epidemiologisch onderzoek of een klinische proef die overeenkomstig de voorwaarden van de vergunning voor het in de handel brengen wordt uitgevoerd teneinde een gevaar voor de veiligheid in verband met een toegelaten geneesmiddel te specificeren of te kwantificeren.
16. Misbruik van geneesmiddelen: een aanhoudend of incidenteel opzettelijk overmatig gebruik van geneesmiddelen dat gepaard gaat met schadelijke lichamelijke of psychische effecten.
17. Groothandel in geneesmiddelen: iedere activiteit die erin bestaat geneesmiddelen aan te schaffen, te houden, te leveren of uit te voeren, uitgezonderd het verstrekken van geneesmiddelen aan het publiek; deze activiteiten worden verricht met fabrikanten of hun depothouders, met importeurs, met andere groothandelaars of met apothekers en personen die in de betrokken lidstaat gemachtigd of gerechtigd zijn geneesmiddelen aan het publiek af te leveren.
18. Verplichting inzake openbare dienstverlening: de aan groothandelaars opgelegde verplichting om permanent over een assortiment geneesmiddelen te beschikken waarmee in de behoeften van een bepaald geografisch gebied kan worden voorzien en om in dit gehele gebied bestellingen op zeer korte termijn af te leveren.
19. Medisch recept: elk recept voor geneesmiddelen dat uitgaat van een daartoe gerechtigd beoefenaar.
20. Benaming van het geneesmiddel: de benaming, die een fantasienaam of een algemene of wetenschappelijke benaming kan zijn, vergezeld van een merk of van de naam van de fabrikant; bij gebruik van een fantasienaam mag geen verwarring ontstaan met de algemene benaming.
21. Algemene benaming: de door de Wereldgezondheidsorganisatie aanbevolen algemene internationale benaming of, bij ontstentenis daarvan, de gangbare algemene benaming.
22. Concentratie van het geneesmiddel: het gehalte aan werkzame stoffen, uitgedrukt in hoeveelheid per doserings-, volume- of gewichtseenheid, naar gelang van de presentatie.
23. Primaire verpakking: het recipiënt of enige andere verpakkingsvorm die rechtstreeks met het geneesmiddel in aanraking komt.
24. Buitenverpakking: de verpakking waarin de primaire verpakking wordt geplaatst.
25. Etikettering: de vermeldingen op de buitenverpakking of op de primaire verpakking.
26. Bijsluiter: het blaadje met informatie ten behoeve van de gebruiker, dat het geneesmiddel vergezelt.
27. Bureau: het Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling, opgericht bij Verordening (EEG) nr. 2309/93.
28. Risico voor de volksgezondheid: elk risico verbonden met de kwaliteit, de veiligheid en de werkzaamheid van het geneesmiddel.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3298
- ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1175
- Rb. Den Haag 13 mei 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:5622
- HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:219
- ABRvS 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1628
- HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:218
- HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:217
- Hof Den Haag 7 mei 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1575
- ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1846
- Rb. Rotterdam 10 januari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:75
- Rb. Oost-Brabant 29 februari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:2116
- Rb. Limburg 26 september 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:5741
- Rb. Gelderland 6 maart 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:3032
- Rb. Den Haag 17 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:16327
- Conclusie A-G Ettema 30 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:645
- HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2839
- HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2673
- Hof 's-Gravenhage 26 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8660
- ABRvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1651
- Rb. 's-Gravenhage 14 november 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5486