Art. 5 Richtlijn 2001/16/EG
1. Voor elk subsysteem geldt één TSI. Indien zulks noodzakelijk blijkt, in het bijzonder om de categorieën lijnen, knooppunten of rollend materieel afzonderlijk te behandelen of de oplossing van bepaalde interoperabiliteitsproblemen voorrang te geven, kunnen voor een subsysteem meerdere TSI's gelden. In dit geval gelden de bepalingen van dit artikel tevens voor het betrokken deel van het subsysteem.
2. De subsystemen stemmen met de TSI's overeen; deze conformiteit blijft tijdens het gebruik van elk subsysteem ononderbroken gehandhaafd.
3. Elke TSI omvat, voorzover nodig, met het oog op de totstandbrenging van de doelstellingen van artikel 1:
a) het toepassingsgebied (deel van het net of van het rollend materieel vermeld in bijlage I; subsysteem of deel van subsysteem vermeld in bijlage II);
b) de essentiële eisen voor het betrokken subsysteem en de interfaces van dit systeem met de overige subsystemen;
c) de functionele en technische specificaties waaraan elk subsysteem en de interfaces ervan met de overige subsystemen moeten voldoen. Indien nodig kunnen deze specificaties naargelang van het gebruik van het subsysteem verschillen, bijvoorbeeld voor elk van de categorieën lijnen, knooppunten en/of rollend materieel bedoeld in bijlage I;
d) de interoperabiliteitsonderdelen en interfaces waarvoor Europese specificaties moeten worden vastgesteld, waaronder de Europese normen die noodzakelijk zijn om de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem tot stand te brengen;
e) per geval de procedures voor de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid voor het gebruik. Deze omvatten met name de in Besluit 93/465/EEG opgenomen modules of, in voorkomend geval, de specifieke procedures die moeten worden gehanteerd voor de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid voor het gebruik van interoperabiliteitsonderdelen, alsmede de EG-keuring van de subsystemen;
f) de uitvoeringsstrategie voor de TSI. Daarin staan met name de stappen via welke de bestaande situatie overgaat in de uiteindelijke situatie waarin overal aan de TSI wordt voldaan;
g) voor het betrokken personeel de kwalificaties en gezondheids- en veiligheidsvoorschriften op het werk voor de exploitatie en het onderhoud van het subsysteem in kwestie en voor de toepassing van de TSI.
4. Elke TSI wordt uitgewerkt aan de hand van een analyse van het bestaande subsysteem en geeft een subsysteem aan als doel dat geleidelijk, maar binnen een redelijke termijn, kan worden bereikt. Aldus kan dankzij de gefaseerde vaststelling en toepassing van de TSI's langzamerhand de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem worden bereikt.
5. De TSI's houden de samenhang van het bestaande spoorwegsysteem in elke lidstaat op passende wijze zoveel mogelijk in stand. In verband daarmee kan binnen elke TSI rekening worden gehouden met specifieke gevallen, zowel op het gebied van de infrastructuur als voor het rollend materieel; er wordt speciale aandacht besteed aan het profiel, de spoorwijdte of de spoorafstand en wagons met een plaats van vertrek of bestemming in derde landen. Voor elk specifiek geval wordt in de TSI aangegeven hoe de TSI-bepalingen bedoeld in lid 3, punten c) tot en met g), moeten worden toegepast.
6. De TSI's vormen geen belemmering voor besluiten van de lidstaten inzake het gebruik van de infrastructuur voor het verkeer van rollend materieel waarop de TSI's niet van toepassing zijn.