Art. 1 Richtlijn 2000/12/EG, Definities

Richtlijn 2000/12/EG

In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "kredietinstelling": een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.

Voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis worden als kredietinstelling beschouwd: een kredietinstelling in de zin van de eerste alinea, en iedere particuliere of openbare onderneming die aan de definitie van de eerste alinea beantwoordt en waaraan in een derde land vergunning is verleend.

Voor de toepassing van het toezicht op en de controle van grote risico's worden als kredietinstelling beschouwd: een kredietinstelling in de zin van de eerste alinea, met inbegrip van de bijkantoren in derde landen van een dergelijke kredietinstelling alsmede iedere particuliere of openbare onderneming, met inbegrip van haar bijkantoren, die aan de definitie van de eerst alinea beantwoordt, en waaraan in een derde land vergunning is verleend;

2. "vergunning": een door de overheid afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden van een kredietinstelling uit te oefenen;

3. "bijkantoor": een bedrijfszetel welke een deel zonder juridische zelfstandigheid vormt van een kredietinstelling en welke rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een kredietinstelling; verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een kredietinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden beschouwd als één enkel bijkantoor;

4. "bevoegde autoriteiten": de nationale autoriteiten die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd zijn om toezicht op kredietinstellingen uit te oefenen;

5. "financiële instelling": een onderneming die geen kredietinstelling is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de onder de punten 2 tot en met 12 van de lijst in bijlage I opgenomen werkzaamheden;

6. "lidstaat van herkomst": de lidstaat waarin aan een kredietinstelling de vergunning werd verleend, overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11;

7. "lidstaat van ontvangst": de lidstaat waarin een kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht;

8. "zeggenschap": het verband dat bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming zoals bepaald in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG of een verband van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;

9. "deelneming" voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis: de rechtstreekse of onrechtstreekse eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een onderneming;

10. "gekwalificeerde deelneming": het in een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel een deelneming die de mogelijkheid inhoudt een invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de onderneming waarin wordt deelgenomen;

11. "aanvangskapitaal": het kapitaal in de zin van artikel 34, lid 2, punten 1 en 2;

12. "moederonderneming": een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG.

Voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis en de controle van grote risico's worden als moederonderneming beschouwd: een moederonderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming die naar de mening van de bevoegde autoriteiten feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent;

13. "dochteronderneming": een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG.

Voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis en de controle van grote risico's worden als dochteronderneming beschouwd: een dochteronderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming waarop een moederonderneming naar de mening van de bevoegde autoriteiten feitelijk een overheersende invloed uitoefent.

Elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochter van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

14. "zone A": de lidstaten en alle overige landen die volwaardig lid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn en de landen die bijzondere leningsarrangementen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) hebben gesloten in samenhang met de algemene leningsarrangementen (GAB) van het IMF. Elk land dat zijn buitenlandse overheidsschuld herschikt, wordt echter voor een periode van vijf jaar van zone A uitgesloten;

15. "zone B": alle andere landen dan die van zone A;

16. "kredietinstellingen van zone A": alle kredietinstellingen die in de lidstaten overeenkomstig artikel 4 een vergunning hebben verkregen, inclusief hun bijkantoren in derde landen, en alle onder de definitie van punt 1, eerste alinea, vallende particuliere en openbare ondernemingen waaraan een vergunning is verleend in andere landen van zone A, inclusief hun bijkantoren;

17. "kredietinstellingen van zone B": alle particuliere en openbare ondernemingen die een vergunning hebben verkregen buiten zone A en die voldoen aan de definitie van punt 1, eerste alinea, inclusief hun bijkantoren in de Gemeenschap;

18. "niet-bancaire sector": alle andere leningnemers dan kredietinstellingen zoals deze zijn gedefinieerd in de punten 16 en 17, centrale banken, centrale, regionale en lokale overheden, de Europese Gemeenschappen, de Europese Investeringsbank en multilaterale ontwikkelingsbanken zoals gedefinieerd in punt 19;

19. "multilaterale ontwikkelingsbanken": de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (Wereldbank), de Internationale Financieringsmaatschappij, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, de Aziatische Ontwikkelingsbank, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, het Vestigingsfonds van de Raad van Europa, de "Nordic Investment Bank", de Caraïbische Ontwikkelingsbank, de Europese Bank voor Herstel en Ontwikkeling, het Europees Investeringsfonds en de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij;

20. "posten buiten de balanstelling met een 'volledig risico', 'middelgroot risico', 'middelgroot/laag risico' en 'laag risico'": de posten omschreven in artikel 43, lid 2, en genoemd in bijlage II;

21. "financiële holding": een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, en waarvan ten minste één dochteronderneming een kredietinstelling is;

22. "gemengde holding": een moederonderneming die noch een financiële holding, noch een kredietinstelling is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één kredietinstelling telt;

23. "onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht": een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezit en het beheer van onroerend goed, het beheer van gegevensverwerkingsdiensten of een andere soortgelijke activiteit welke ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer kredietinstellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft;

24. "risico's", voor de toepassing van de artikelen 48, 49 en 50: de activa en posten buiten de balanstelling, als bedoeld in artikel 43 en in de bijlagen II en IV, zonder toepassing van de in deze bepalingen vastgestelde wegingsfactoren of risicograden; de risico's met betrekking tot de in bijlage IV genoemde posten worden berekend volgens een van de in bijlage III beschreven methoden, zonder toepassing van de wegingsfactoren die gelden voor het risico op de tegenpartij; van de definitie van de risico's kunnen met goedkeuring van de bevoegde autoriteiten worden uitgesloten alle bestanddelen die voor 100 % door eigen vermogen zijn gedekt voorzover met dit deel van het eigen vermogen geen rekening wordt gehouden bij de berekening van de solvabiliteitsratio en van de andere ratio's voor toezichtsdoeleinden die bij de onderhavige richtlijn en bij andere communautaire besluiten worden vastgesteld; onder risico's vallen niet:

- in het geval van valutatransacties, de risico's die zich tijdens de normale afwikkeling voordoen in de periode van 48 uur nadat betaling heeft plaatsgevonden, of

- in het geval van transacties betreffende de verkoop of aankoop van effecten, de risico's die zich tijdens de normale afwikkeling voordoen in de periode van vijf werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden of nadat de effecten geleverd zijn indien deze levering eerder plaatsvindt;

25. "groep van verbonden cliënten": - betzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die, behoudens bewijs van het tegendeel, uit een oogpunt van risico een geheel vormen omdat een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de andere persoon of personen;

- hetzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen tussen wie geen zeggenschapsrelatie als bedoeld in het eerste streepje bestaat, maar die uit een oogpunt van risico als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou ondervinden, de andere of alle anderen waarschijnlijk in betalingsmoeilijkheden zouden komen;

26. "nauwe banden": een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen zijn verbonden door:

a) een deelneming, dat wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming, of

b) een zeggenschapsband, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, van Richtlijn 83/349/EEG, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat.

Als een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens beschouwd een situatie waarin deze personen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon;

27. "erkende beurzen": beurzen die door de bevoegde autoriteiten zijn erkend en die:

i) regelmatig werken;

ii) onderworpen zijn aan door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst van de beurs opgestelde of goedgekeurde bepalingen waarin de voorwaarden voor de werking van en de toegang tot de beurs zijn vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaraan contracten moeten voldoen om daadwerkelijk op de beurs verhandeld te kunnen worden;

iii) beschikken over een clearingregeling die met betrekking tot de in bijlage IV vermelde contracten voorschrijft dat zij onderworpen zijn aan dagelijkse margeverplichtingen die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een adequate bescherming bieden.

Uitspraken die dit artikel aanhalen