Art. 5 Richtlijn 2000/12/EG, Beginkapitaal

Richtlijn 2000/12/EG

1. Onverminderd andere bij de nationale regelingen vastgestelde algemene voorwaarden verlenen de bevoegde autoriteiten geen vergunning wanneer de kredietinstelling geen afgescheiden eigen vermogen heeft of wanneer het aanvangskapitaal minder bedraagt dan 5 miljoen EUR.

De lidstaten mogen voortzetting toestaan van de werkzamheden van kredietinstellingen die niet voldoen aan de voorwaarde betreffende het afgescheiden eigen vermogen, en die op 15 december 1979 bestonden. Zij mogen deze ondernemingen vrijstellen van de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, bedoelde voorwaarde.

2. Het staat de lidstaten evenwel vrij om de vergunning in uitzonderlijke gevallen toch te verlenen aan bijzondere categorieën kredietinstellingen met een aanvangskapitaal dat minder bedraagt dan wat in lid 1 is voorgeschreven. In dat geval:

a) mag het aanvangskapitaal niet geringer zijn dan 1 miljoen EUR;

b) stellen de betrokken lidstaten de Commissie in kennis van de redenen waarom zij van de in dit lid geboden mogelijkheid gebruikmaken;

c) wordt bij de bekendmaking van de lijst bedoeld in artikel 11 in een aantekening bij de naam van de kredietinstelling aangegeven dat zij niet het in lid 1 bepaalde minimumaanvangskapitaal bereikt.

3. Het eigen vermogen van een kredietinstelling mag niet kleiner worden dan het bij het verlenen van de vergunning krachtens de leden 1 en 2 vereiste aanvangskapitaal.

4. De lidstaten kunnen besluiten dat de kredietinstellingen die op 1 januari 1993 bestonden en waarvan het eigen vermogen de in de leden 1 en 2 vastgestelde niveaus voor het aanvangskapitaal niet bereikte, hun werkzaamheden mogen blijven uitoefenen. In dat geval mag het eigen vermogen niet kleiner worden dan het hoogste bedrag dat het sinds 22 december 1989 had bereikt.

5. Indien de zeggenschap over een kredietinstelling die tot de in lid 4 bedoelde categorie behoort, wordt overgenomen door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over deze instelling uitoefende, dient het eigen vermogen van deze instelling ten minste gelijk te zijn aan het in de leden 1 en 2 vastgestelde niveau voor het aanvangskapitaal.

6. In welbepaalde omstandigheden en met instemming van de bevoegde autoriteiten mag bij fusie tussen twee of meer tot de in lid 4 bedoelde categorie behorende kredietinstellingen het eigen vermogen van de instelling die het resultaat van de fusie is, niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde instellingen op de datum van de fusie, zolang de passende niveaus op grond van de leden 1 en 2 niet zijn bereikt.

7. Indien het eigen vermogen in de in de leden 3, 4 en 6 bedoelde gevallen vermindert, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de instelling een beperkte termijn toestaan om aan dit voorschrift te voldoen dan wel haar werkzaamheden te beëindigen.