Art. 5 Richtlijn 2000/46/EG, Beperkingen op beleggingen
1. Instellingen voor elektronisch geld moeten een bedrag, ten minste gelijk aan dat van hun financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, beleggen in uitsluitend de volgende activa:
a) activa die voldoende liquide zijn en waarvoor overeenkomstig artikel 43, lid 1, onder a), punten 1, 2, 3 en 4, en artikel 44, lid 1, van Richtlijn 2000/12/EG een risicowegingsfactor van 0 % geldt;
b) onmiddellijk opvraagbare deposito's bij kredietinstellingen van zone A zoals bedoeld in Richtlijn 2000/12/EG en
c) schuldinstrumenten die
i) voldoende liquide zijn;
ii) niet vallen onder letter a);
iii) door de bevoegde autoriteiten worden erkend als gekwalificeerde posten in de zin van artikel 2, lid 12, van Richtlijn 93/6/EEG, en
iv) uitgegeven zijn door andere ondernemingen dan die welke een gekwalificeerde deelneming zoals omschreven in artikel 1 van Richtlijn 2000/12/EG bezitten in de betrokken instelling voor elektronisch geld, of die in de geconsolideerde jaarrekening van deze ondernemingen moeten worden opgenomen.
2. De in lid 1, onder b) en c), bedoelde beleggingen zijn ten hoogste gelijk aan 20 keer het bedrag van het eigen vermogen van de betrokken instelling voor elektronisch geld en zijn onderworpen aan beperkingen die ten minste even streng zijn als die welke overeenkomstig titel V, hoofdstuk 2, afdeling III, van Richtlijn 2000/12/EG op kredietinstellingen van toepassing zijn.
3. Voor het afdekken van marktrisico's die uit de uitgifte van elektronisch geld en uit de in lid 1 bedoelde beleggingen voortvloeien, mogen de instellingen voor elektronisch geld gebruikmaken van voldoende liquide, op rente en wisselkoersen betrekking hebbende, posten buiten de balanstelling in de vorm van op een beurs verhandelde afgeleide financiële instrumenten (andere dan OTC-instrumenten) waarvoor dergelijke margevereisten gelden of wisselkoerscontracten met een oorspronkelijke looptijd van 14 dagen of minder. Van de in de eerste zin bedoelde afgeleide instrumenten mag uitsluitend gebruik worden gemaakt indien de volledige uitschakeling van marktrisico's wordt nagestreefd en zoveel mogelijk wordt bewerkstelligd.
4. De lidstaten leggen passende beperkingen op ten aanzien van de marktrisico's die de instellingen voor elektronisch geld uit hoofde van de in lid 1 bedoelde beleggingen mogen aangaan.
5. Voor de toepassing van lid 1 worden de activa gewaardeerd tegen de kostprijs of de marktwaarde, waarbij het laagste bedrag in aanmerking wordt genomen.
6. Indien de waarde van de in lid 1 bedoelde activa daalt tot onder het bedrag van de financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, zien de bevoegde autoriteiten erop toe dat de betrokken instelling voor elektronisch geld het nodige doet om deze situatie onmiddellijk te verhelpen. Te dien einde kunnen de bevoegde autoriteiten tijdelijk toestaan dat de financiële verplichtingen van de instelling die met uitstaand elektronisch geld verband houden, worden gedekt door middel van andere dan de in lid 1 bedoelde activa. Het bedrag van die activa mag niet hoger zijn dan 5 % van deze verplichtingen of dan het totale eigen vermogen van de instelling, waarbij het laagste van beide als norm wordt genomen.