Art. 15 Verordening (EG) nr. 2792/1999, Door het bedrijfsleven uitgevoerde acties
Verordening (EG) nr. 2792/1999
1. De lidstaten kunnen de oprichting van overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3759/92 erkende producentenorganisaties bevorderen en de werking ervan vergemakkelijken.
a) Aan na 1 januari 2000 opgerichte producentenorganisaties kan steun worden verleend gedurende drie jaar na de datum van hun erkenning. Het bedrag van deze steun voor het eerste, tweede en derde jaar moet binnen de volgende grenzen blijven:
i) 3 %, 2 % en 1 % van de waarde van de via de producentenorganisatie verhandelde productie;
ii) 60 %, 40 % en 20 % van de beheerskosten van de producentenorganisatie.
b) Onverminderd de onder a) bedoelde steun kan aan de producentenorganisaties waaraan de in artikel 7 bis, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3759/92 bedoelde specifieke erkenning is verleend, gedurende de drie jaren volgende op de datum van de specifieke erkenning, steun worden verleend teneinde de uitvoering van hun plan voor de verbetering van de kwaliteit te vergemakkelijken. Het bedrag van deze steun mag voor het eerste, het tweede en het derde jaar niet hoger zijn dan 60 %, 50 % en 40 % van de door de organisatie voor de uitvoering van het plan gemaakte kosten;
c) De onder a) en b) bedoelde steun wordt aan de eindbegunstigden uitgekeerd in het jaar na het jaar waarvoor de steun is toegekend, en uiterlijk op 31 december 2008.
2. De lidstaten kunnen acties van collectief belang met een beperkte duur bevorderen die verder gaan dan wat normaal tot het actiegebied van een particuliere onderneming behoort, die worden uitgevoerd met de actieve medewerking van het bedrijfsleven zelf of door organisaties die namens de producenten of andere organisaties optreden en door de beheersinstantie zijn erkend, en bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
3. Hiervoor komen met name acties op de volgende terreinen in aanmerking:
a) beheer van en controle op de toegangsvoorwaarden tot bepaalde visserijzones en beheer van de quota;
b) beheer van de visserij-inspanning;
c) bevordering van vistuig of methodes die door de beheersinstantie als selectiever zijn erkend;
d) bevordering van technische maatregelen voor de instandhouding van de bestanden;
e) bevordering van maatregelen voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden en de hygiënische omstandigheden in verband met de aan boord zijnde en de aan land gebrachte producten;
f) collectieve aquacultuuruitrusting, herstructurering of verbetering van aquacultuurinstallaties, collectieve behandeling van het afvalwater van aquacultuurinstallaties;
g) uitroeiing van pathologische risico's voor de viskweek of van parasieten in de stroomgebieden of ecosystemen langs de kust;
h) inzameling van basisgegevens en/of opstelling van modellen voor milieubeheer ten behoeve van de visserij- en aquacultuursector, met het oog op de opstelling van plannen voor geïntegreerd beheer in kustgebieden;
i) organisatie van de elektronische handel en andere informatietechnologieën met het oog op de verspreiding van technische en handelsinformatie;
j) ontwikkeling van clusters in de sector en/of centra voor visserij- en aquacultuurproducten;
k) toegang tot opleiding, met name opleiding met het oog op kwaliteitsverbetering, organisatie van de overdracht van knowhow aan boord van vaartuigen en aan land;
l) ontwerpen en toepassen van systemen voor de verbetering van en de controle op de kwaliteit, de traceerbaarheid, de hygiënische omstandigheden, de statistische instrumenten en de gevolgen voor het milieu;
m) toegevoegde waarde verlenen aan producten (o.a. via experimenten, innovatie, het geven van toegevoegde waarde aan bijproducten en nevenproducten);
n) verbetering van kennis en transparantie bij de productie en op de markt.
De uitgaven die worden gedaan in het kader van het normale productieproces van de bedrijven komen niet in aanmerking voor bijstand uit hoofde van dit lid.
4. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 23, lid 2.