Art. 15 Verordening (EG) nr. 2038/1999

Verordening (EG) nr. 2038/1999

1. Om de nadelen voor de markt van de Gemeenschap die het gevolg kunnen zijn van de invoer van bepaalde landbouwproducten, te voorkomen of te beperken, wordt bij de invoer van één of meer van deze producten tegen het in het gemeenschappelijk douanetarief voorgeschreven recht een aanvullend invoerrecht toegepast volgens de bepalingen van artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw die in overeenstemming met artikel 300 van het Verdrag is gesloten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, tenzij de invoer de communautaire markt niet dreigt te verstoren of de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel.

2. De prijzen beneden welke een aanvullend invoerrecht kan worden opgelegd, zijn die welke door de Gemeenschap aan de Wereldhandelsorganisatie worden doorgegeven.

De hoeveelheden die moeten worden overschreden voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht, worden toet name vastgesteld op basis van de invoer in de Gemeenschap tijdens de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de in lid 1 bedoelde nadelen zich voordoen of zich dreigen voor te doen.

3. De invoerprijzen die in aanmerking dienen te worden genomen voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht, worden vastgesteld op basis van de cif invoerprijzen van de zending in kwestie.

De cif-invoerprijzen worden daartoe geverifieerd op basis van de voor het betrokken product op de wereldmarkt of op de markt van invoer in de Gemeenschap van dit product representatieve prijzen.

4. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 48. Deze bepalingen hebben met name betrekking op:

a) de producten waarop aanvullende invoerrechten worden toegepast overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw,

b) de overige criteria die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat lid 1 wordt toegepast overeenkomstig artikel 5 van genoemde overeenkomst.