Art. 29 Verordening (EG) nr. 1260/1999, Differentiatie van de bijdragepercentages

Verordening (EG) nr. 1260/1999

1. De bijdrage van de fondsen wordt gedifferentieerd op grond van de volgende elementen:

a) de ernst van de specifieke, met name regionale of sociale, problemen waarop de bijstandspakketten zijn gericht;

b) de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat, met name rekening houdend met de relatieve welvaart van die lidstaat en met de noodzaak een buitensporige toename van de begrotingsuitgaven te vermijden;

c) in het kader van de in artikel 1 uiteengezette doelstellingen van de fondsen, het belang dat de bijstandspakketten en de prioritaire zwaartepunten uit communautair oogpunt hebben, in voorkomend geval voor het opheffen van ongelijkheden en het bevorderen van gelijke kansen voor mannen en vrouwen, en voor de bescherming en de verbetering van het milieu, met name door de toepassing van de beginselen van voorzorg en preventief optreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt;

d) het belang dat de bijstandspakketten en de prioritaire zwaartepunten uit regionaal en nationaal oogpunt hebben;

e) de specifieke kenmerken van het betrokken type bijstandspakket en het betrokken prioritaire zwaartepunt, om rekening te houden met de behoeften die door de evaluatie ex ante zijn vastgesteld, in het bijzonder op het gebied van menselijke hulpbronnen en werkgelegenheid;

f) een optimaal gebruik van de financiële middelen in de financieringsplannen, met inbegrip van een combinatie van openbare en particuliere middelen, het gebruik van adequate financiële instrumenten overeenkomstig artikel 10, lid 2, en de keuze van de financieringsvormen zoals bedoeld in artikel 28, lid 3.

Indien de bijdrage van het EFS overeenkomstig artikel 16, lid 1, gedifferentieerd wordt, dient dit te gebeuren met inachtneming van de behoeften die door de evaluatie ex ante zijn vastgesteld, met name op het gebied van menselijke hulpbronnen en werkgelegenheid.

2. De bijdrage van de fondsen wordt berekend in verhouding tot de totale in aanmerking komende kosten, of de totale in aanmerking komende uitgaven van de overheid of daaraan gelijkgestelde (nationale, regionale, communautaire) uitgaven voor elk bijstandspakket.

3. Voor de bijdrage van de fondsen gelden de volgende maxima:

a) ten hoogste 75 % van de totale subsidiabele kosten, en als algemene regel, ten minste 50 % van de subsidiabele overheidsuitgaven, voor maatregelen in regio's van doelstelling 1. Indien deze regio's in een voor bijstand uit het Cohesiefonds in aanmerking komende lidstaat liggen, kan de bijdrage van de Gemeenschap in naar behoren gemotiveerde uitzonderingsgevallen ten hoogste 80 % van de totale subsidiabele kosten bedragen, en ten hoogste 85 % van de totale subsidiabele kosten voor de ultraperifere regio's alsmede voor de Griekse perifere eilanden waarvan de afgelegenheid een handicap vormt;

b) ten hoogste 50 % van de totale subsidiabele kosten en, als algemene regel, ten minste 25 % van de subsidiabele overheidsuitgaven voor maatregelen in de zones van doelstelling 2 of doelstelling 3.

In het geval van investeringen in ondernemingen worden voor de bijdrage van de fondsen de maxima gerespecteerd die inzake steunintensiteit en cumulering voor overheidssteun zijn vastgesteld.

4. Indien bij het betrokken bijstandspakket investeringen worden gefinancierd die inkomsten zullen opleveren, wordt de bijdrage van de fondsen aan deze investeringen vastgesteld rekening houdende met de specifieke kenmerken ervan, waaronder de hoogte van de bruto autofinancieringsmarge waarvan normaliter wordt uitgegaan bij deze categorie investeringen, afhankelijk van de macro-economische omstandigheden waarin deze investeringen geschieden, en met dien verstande dat de bijdrage van de fondsen niet tot een verhoging van de nationale begrotingsuitgaven mag leiden.

Voor de bijdrage van de fondsen gelden hoe dan ook de volgende maxima:

a) in het geval van investeringen in infrastructuur die aanzienlijke netto inkomsten opleveren, gaat het bijstandspakket ten hoogste over:

i) 40 % van de totale subsidiabele kosten in de regio's van doelstelling 1, eventueel verhoogd met maximaal 10 % voor de lidstaten die bijstand uit het Cohesiefonds ontvangen;

ii) 25 % van de totale subsidiabele kosten in de zones van doelstelling 2;

iii) deze percentages kunnen worden verhoogd waarbij deze verhoging bestemd is voor andere financieringsvormen dan directe steun, met dien verstande dat de verhoging in geen geval meer dan 10 % van de totale subsidiabele kosten mag bedragen;

b) in het geval van investeringen in ondernemingen bedraagt het bijstandspakket ten hoogste:

i) 35 % van de totale subsidiabele kosten in de regio's van doelstelling 1;

ii) 15 % van de totale subsidiabele kosten in de zones van doelstelling 2;

iii) in het geval van investeringen in kleine en middelgrote ondernemingen kunnen deze percentages worden verhoogd waarbij deze verhoging bestemd is voor andere financieringsvormen dan directe steun, met dien verstande dat de verhoging in geen geval meer dan 10 % van de totale subsidiabele kosten mag bedragen.

5. De verwijzingen naar de regio's en de zones van doelstelling 1 en doelstelling 2 in lid 3 en lid 4 hebben mede betrekking op de regio's en de zones waar, enerzijds, op grond van artikel 6, lid 1, overgangssteun en op grond van artikel 7, lid 4, steun, en, anderzijds, op grond van artikel 6, lid 2, steun wordt verleend.

6. Maatregelen die op initiatief van de Commissie worden uitgevoerd, zoals bedoeld in de artikelen 22 en 23, kunnen voor 100 % van de totale kosten gefinancierd worden. De maatregelen die voor rekening van de Commissie worden uitgevoerd, zoals bedoeld in artikel 23, worden voor 100 % van de totale kosten gefinancierd.

7. Voor de maatregelen op het gebied van technische hulp in het kader van de programmering en voor de communautaire initiatieven gelden de in dit artikel vermelde percentages.