Art. 6 Verordening (EG) nr. 1254/1999

Verordening (EG) nr. 1254/1999

1. Aan producenten die zoogkoeien houden op hun bedrijf, kan op hun verzoek een premie voor het aanhouden van zoogkoeien worden verleend (zoogkoeienpremie). Het betreft een premie per jaar en per producent, toegekend binnen individuele maxima.

2. De zoogkoeienpremie wordt toegekend aan alle producenten:

a) die geen melk of zuivelproducten leveren in de twaalf maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag.

Rechtstreekse levering van melk of zuivelproducten van het bedrijf aan de consument vormt echter geen beletsel voor de verlening van de premie;

b) die melk of zuivelproducten leveren en wier totale individuele referentiehoeveelheid als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 ten hoogste 120000 kilogram bedraagt. De lidstaten mogen op basis van door hen vast te stellen objectieve criteria echter besluiten om deze kwantitatieve beperking te wijzigen of niet toe te passen,

op voorwaarde dat zij gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag een aantal zoogkoeien houden dat ten minste gelijk is aan 80 % en een aantal vaarzen dat ten hoogste gelijk is aan 20 % van het aantal waarvoor de premie is aangevraagd.

Voor de vaststelling van het aantal dieren dat in aanmerking komt op grond van de punten a) en b) van de eerste alinea zal aan de hand van de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten(15) bedoelde referentiehoeveelheid en de gemiddelde melkopbrengst worden bepaald of de koeien tot een zoogkoeienbeslag dan wel tot een melkkoeienbeslag behoren.

3. Het recht van de producenten op de premie wordt beperkt door toepassing van het in artikel 7 gedefinieerde individuele maximum.

4. De premie per in aanmerking komend dier bedraagt:

- 163 EUR voor het kalenderjaar 2000;

- 182 EUR voor het kalenderjaar 2001;

- 200 EUR oor het kalenderjaar 2002 en de daaropvolgende kalenderjaren.

5. Mits er geen discriminatie tussen veehouders in de betrokken lidstaat plaatsvindt, mogen de lidstaten een aanvullende nationale zoogkoeienpremie van maximaal 50 EUR per dier toekennen.

Voor bedrijven in een regio als gedefinieerd in de artikelen 3 en 6 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen(16) wordt de eerste 24,15 EUR per dier van die aanvullende premie gefinancierd door de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL).

Voor bedrijven op het gehele grondgebied van een lidstaat waarvan het koeienbeslag gekenmerkt wordt door een hoog aandeel zoogkoeien dat ten minste 30 % van het totaal aantal koeien uitmaakt, en waarvan ten minste 30 % van de geslachte mannelijke runderen tot de vleesklassen S en E behoort, wordt de aanvullende premie geheel door de afdeling Garantie van het EOGFL gefinancierd. Overschrijdingen van deze percentages worden vastgesteld op basis van het gemiddelde van de twee jaren voorafgaande aan het jaar waarvoor de premie wordt toegekend.

6. Voor de toepassing van dit artikel worden alleen in aanmerking genomen vaarzen van een vleesras of voortgekomen uit een kruising met een dergelijk ras, die deel uitmaken van een beslag van voor de vleesproductie bestemde kalveren.

7. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 43 de gemiddelde melkopbrengst en de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast, en met name die welke betrekking hebben op de in artikel 3 gegeven definitie van het begrip zoogkoe.

Uitspraken die dit artikel aanhalen