Art. 10 Verordening (EG) nr. 1254/1999

Verordening (EG) nr. 1254/1999

1. In afwijking van artikel 6, lid 3, mogen lidstaten waar meer dan 60 % van de zoogkoeien en de vaarzen gehouden wordt in berggebieden in de zin van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL)(17) besluiten de toewijzing van de zoogkoeienpremie voor vaarzen afzonderlijk te beheren van die voor zoogkoeien, tot een afzonderlijk nationaal maximum dat door de betrokken lidstaat wordt vastgesteld.

Dat afzonderlijke nationale maximum mag niet meer bedragen dan 20 % van het nationale maximum van de betrokken lidstaat als bedoeld in bijlage II bij deze verordening. Dat nationale maximum moet verlaagd worden met de hoeveelheid die gelijk is aan het afzonderlijke nationale maximum.

Wanneer in een lidstaat bij de uitoefening van de in de eerste alinea bedoelde bevoegdheid het totale aantal vaarzen waarvoor een premie is aangevraagd en dat voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de zoogkoeienpremie, het afzonderlijke nationale maximum overschrijdt, moet het aantal in aanmerking komende vaarzen per producent voor het betrokken jaar evenredig worden verlaagd.

2. Voor de toepassing van dit artikel worden alleen vaarzen van een vleesras of voortgekomen uit een kruising met een dergelijk ras in aanmerking genomen.

3. De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast volgens de procedure van artikel 43.

Onderafdeling 4

Slachtpremie

Uitspraken die dit artikel aanhalen