Art. 13 Verordening (EG) nr. 1254/1999

Verordening (EG) nr. 1254/1999

1. Producenten die de speciale premie en/of de zoogkoeienpremie ontvangen, komen in aanmerking voor een extensiveringsbedrag.

2. Het extensiveringsbedrag bedraagt 100 EUR per toegekende speciale premie of zoogkoeienpremie, mits de verbetering van het betrokken bedrijf voor het kalenderjaar in kwestie minder bedraagt dan of gelijk is aan 1,4 GVE per hectare.

De lidstaten kunnen echter besluiten het extensiveringsbedrag als volgt toe te kennen:

a) voor de kalenderjaren 2000 en 2001: 33 EUR voor een verbetering van 1,6 GVE/ha of meer en gelijk aan of minder dan 2,0 GVE/ha, en 66 EUR voor een veebezetting van minder dan 1,6 GVE/ha;

b) voor het kalenderjaar 2002 en de daaropvolgende kalenderjaren: 40 EUR voor een veebezetting van 1,4 GVE/ha of meer en gelijk aan of minder dan 1,8 GVE/ha, en 80 EUR voor een veebezetting van minder dan 1,4 GVE/ha.

3. Voor de toepassing van lid 2:

a) wordt in afwijking van artikel 12, lid 2, onder a), bij de vaststelling van het veebezettingsgetal van het bedrijf rekening gehouden met de mannelijke runderen, koeien en vaarzen die tijdens het betrokken kalenderjaar op dat bedrijf aanwezig zijn, en met de schapen en/of de geiten waarvoor dat kalenderjaar premieaanvragen zijn ingdiend. Het aantal dieren wordt in GVE omgerekend aan de hand van de omrekeningstabel in bijlage III;

b) worden, onverminderd artikel 12, lid 2, onder b), derde streepje, arealen die gebruikt worden voor de productie van akkerbouwgewassen als gedefinieerd in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen(18) niet als "voederareaal" beschouwd;

c) het voederareaal dat gebruikt wordt voor de berekening van het veebezettingsgetal, bestaat ten minste voor 50 % uit grasland. "Grasland" wordt gedefinieerd door de lidstaten. Die definitie omvat ten minste het criterium dat grasland weidegrond is die volgens de plaatselijke veehouderijpraktijken erkend is als bestemd voor het laten grazen van runderen en/of schapen. Dit sluit een gecombineerd gebruik van het grasland in de loop van het jaar (gras, hooi, kuilgras) echter niet uit.

4. Onverminderd de in lid 2 bedoelde veebezettingseisen, kunnen producenten in lidstaten waar meer dan 50 % van de melkproductie plaatsvindt in berggebieden in de zin van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1257/1999, wier bedrijven in dergelijke gebieden liggen, voor de daarop gehouden melkkoeien de in lid 2 bedoelde extensiveringsbedragen ontvangen.

5. Volgens de procedure van artikel 43:

- stelt de Commissie de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast;

- past de Commissie zo nodig het in lid 2 vastgestelde bedrag aan, met name rekening houdend met het aantal dieren dat het vorige kalenderjaar voor dat aanvullende bedrag in aanmerking kwam.

Uitspraken die dit artikel aanhalen