Art. 4 Verordening (EG) nr. 800/1999
1. Behalve voor de uitvoer van goederen en de uitvoer in het kader van internationale voedselhulp in de zin van artikel 10, lid 4, van de overeenkomst inzake de landbouw in het kader van de Uruguayronde, ontstaat het recht op restitutie pas na overlegging van een uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie.
Voor het verkrijgen van een restitutie is evenwel geen certificaat vereist:
- wanneer het restitutiebedrag per aangifte ten uitvoer niet hoger is dan 60 euro;
- in de gevallen bedoeld in de artikelen 6, 36, 40, 44, 45 en artikel 46, lid 1;
- voor leveringen bestemd voor in derde landen gestationeerde strijdkrachten van de lidstaten.
2. ln afwijking van lid 1 is een uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie ook geldig voor de uitvoer van een product dat onder een andere productcode van twaalf cijfers valt dan die welke in vak 16 van het certificaat is vermeld, indien beide producten behoren tot:
- dezelfde categorie als bedoeld in artikel 13 bis, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 3719/88, of
- dezelfde productgroep, voorzover deze productgroep daartoe is bepaald volgens de procedure van artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 1766/92 of het overeenkomstige artikel van één van de overige verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening.
In de in de eerste alinea bedoelde gevallen gelden de volgende voorwaarden:
- indien de restitutievoet voor het werkelijke product gelijk is aan of hoger is dan de restitutievoet voor het in vak 16 van het certificaat vermelde product, wordt deze laatste voet toegepast;
- indien de restitutievoet voor het werkelijke product lager is dan de restitutievoet voor het in vak 16 van het certificaat vermelde product, wordt de restitutie betaald welke voortvloeit uit de toepassing van de restitutie voor het werkelijke product, behoudens overmacht verminderd met 20 % van het verschil tussen de restitutie voor het in vak 16 van het certificaat vermelde product en de restitutie voor het werkelijke product.
Wanneer het bepaalde in het tweede streepje van de tweede alinea en het bepaalde in artikel 18, lid 3, onder b), van toepassing zijn, wordt de op de restitutie voor het werkelijke product en de werkelijke bestemming toe te passen vermindering berekend over het verschil tussen de restitutie voor het product en de bestemming die in het certificaat zijn vermeld, en de restitutie voor het werkelijke product en de werkelijke bestemming.
Voor de toepassing van dit lid worden de restitutievoeten in aanmerking genomen die golden op de dag waarop de certificaataanvraag is ingediend, en worden deze restitutievoeten zo nodig op de dag van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer of de betalingsaangifte aangepast.
3. Wanneer lid 1 of lid 2 en artikel 51 op dezelfde uitvoertransactie van toepassing zijn, wordt het bedrag dat uit de toepassing van lid 1 of lid 2 voortvloeit, verlaagd met het op grond van artikel 51 toepasselijke sanctiebedrag.