HvJ EU 16 oktober 2014, C-334/13, ECLI:EU:C:2014:2294
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
16 oktober 2014 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Landbouw — Verordening (EG) nr. 800/1999 — Restituties bij uitvoer — Verordening (EG) nr. 1291/2000 — Regeling van uitvoercertificaten — Zonder uitvoercertificaat ingediende uitvoeraangifte — Door het douanekantoor van uitvoer verleende termijn — Douanedocumenten tot bewijs van de aankomst van de uitgevoerde goederen in het land van bestemming — Vervalste documenten — Rectificatie van onregelmatigheden — Toepassing van de in artikel 51 van verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde sanctie”
In zaak C‑334/13,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door Bundesfinanzhof (Duitsland) bij beslissing van 16 april 2013, ingekomen bij het Hof op 19 juni 2013, in de procedure
Nordex Food A/S
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. Borg Barthet, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, M. Berger en F. Biltgen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 mei 2014,
gelet op de opmerkingen van:
— Nordex Food A/S, vertegenwoordigd door U. Schrömbges, Rechtsanwalt,
— het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, vertegenwoordigd door D. Baden-Berthold als gemachtigde,
— de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou en G. von Rintelen als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4, lid 1, 49, lid 2, en 51 van verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11, met rectificatie in PB L 180, blz. 53), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2299/2001 van de Commissie van 26 november 2001 (PB L 308, blz. 19, hierna: „verordening nr. 800/1999”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Nordex Food A/S (hierna: „Nordex”), een in Denemarken gevestigde vennootschap, en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas over de weigering van toekenning van een uitvoerrestitutie en een op basis van artikel 51 van verordening nr. 800/1999 toegepaste sanctie.
Toepasselijke bepalingen
3 Artikel 4, punt 5, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”) definieert het begrip „beschikking” als „elke administratieve beslissing verband houdend met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor een of meer personen wier identiteit bekend is of kan worden vastgesteld, rechtsgevolgen heeft”.
4 Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 186, blz. 1) heeft verordening nr. 800/1999 ingetrokken, die niettemin van toepassing blijft op de feiten van het hoofdgeding.
5 De punten 63 en 64 van de considerans van verordening nr. 800/1999 luidden: „(63) [...] gezien de opgedane ervaring, is het met het oog op de bestrijding van onregelmatigheden, en vooral van fraude, ten nadele van de gemeenschapsbegroting, noodzakelijk in de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen en in de toepassing van sancties te voorzien om de exporteurs ertoe aan te sporen de communautaire reglementering na te leven; (64) overwegende dat, om te garanderen dat het stelsel van uitvoerrestituties goed functioneert, sancties moeten worden toegepast ongeacht het subjectieve aspect van de schuld; dat het evenwel dienstig is in bepaalde gevallen, en met name wanneer het een duidelijke vergissing betreft die door de bevoegde autoriteiten als zodanig wordt erkend, van de toepassing van sancties af te zien en in zwaardere sancties te voorzien voor het geval van opzet. [...]”
6 Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 800/1999 luidde: „Het recht op restitutie geldt alleen wanneer een uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie wordt overgelegd, behalve bij uitvoer van goederen. [...]”
7 Artikel 5, leden 1 en 2, van deze verordening verstaat onder dag van uitvoer de dag waarop de douaneautoriteit de aangifte ten uitvoer aanvaardt, waarin is vermeld dat een restitutie zal worden gevraagd. De dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, is bepalend met name voor de toe te passen restitutievoet, de uit te voeren aanpassingen, de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product.
8 Overeenkomstig artikel 5, lid 7, vierde alinea, van deze verordening moet het bevoegde douanekantoor in staat zijn de fysieke controle uit te voeren en de voor identificatie vereiste maatregelen te nemen voor het vervoer naar het kantoor van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap.
9 Artikel 49, leden 2 en 4, van dezelfde verordening bepaalde: „2. Het dossier voor de betaling van de restitutie of het vrijgeven van de zekerheid moet, behalve in geval van overmacht, worden ingediend binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard. [...] 4. Wanneer de op grond van artikel 16 vereiste documenten niet binnen de in lid 2 voorgeschreven termijn kunnen worden overgelegd, kunnen de exporteur, wanneer hij zich de nodige moeite heeft gegeven om de documenten binnen die termijn te verkrijgen en mede te delen, op zijn verzoek bijkomende termijnen worden toegestaan om deze documenten over te leggen.”
10 Artikel 50, lid 2, van verordening nr. 800/1999 bepaalde: „Wanneer het bewijs dat aan alle in de communautaire regeling vervatte vereisten is voldaan, binnen zes maanden na de in artikel 49, leden 2 en 4, bedoelde termijnen wordt geleverd, is het te betalen restitutiebedrag gelijk aan 85 % van de restitutie die zou zijn betaald indien aan alle vereisten was voldaan. [...]”
11 Artikel 51 van deze verordening bepaalde: „1. Wanneer wordt vastgesteld dat een exporteur, in het kader van het toekennen van restitutie, een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende, is de verschuldigde restitutie voor de betreffende uitvoer gelijk aan de voor de werkelijke uitvoer geldende restitutie, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan: a) de helft van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie voor het daadwerkelijk uitgevoerde product; b) het dubbele van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie, indien de exporteur opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt. [...] 3. De in lid 1, sub a, bedoelde sanctie wordt niet toegepast: a) in geval van overmacht; b) in uitzonderlijke gevallen waarin de exporteur vaststelt dat de gevraagde restitutie te hoog is en hij dit op eigen initiatief onmiddellijk en schriftelijk aan de bevoegde autoriteiten meldt, tenzij de bevoegde autoriteiten zelf de exporteur ervan in kennis hebben gesteld dat zij voornemens zijn diens aanvraag te onderzoeken of de exporteur langs een andere weg kennis heeft gekregen van dit voornemen of de bevoegde autoriteiten reeds de onregelmatigheid van de gevraagde restitutie hebben vastgesteld; c) indien het duidelijk gaat om een vergissing wat de gevraagde restitutie betreft en de bevoegde autoriteit dat heeft erkend; [...] 7. De sancties worden niet toegepast wanneer alleen wegens de toepassing van artikel 4, lid 2, artikel 18, lid 3, artikel 35, lid 2, en/of artikel 50 de gevraagde restitutie hoger is dan de geldende restitutie. [...]”
12 Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 152, blz. 1) is ingetrokken bij verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (PB L 114, blz. 3).
13 Verordening nr. 1291/2000 blijft evenwel van toepassing op de feiten in het hoofdgeding.
14 De punten 15 en 16 van de considerans van verordening nr. 1291/2000 luidden: „(15) Het invoer- of uitvoercertificaat geeft het recht in- of uit te voeren. Daarom moet het worden overgelegd bij de aanvaarding van de aangifte ten in- of uitvoer. (16) Bij vereenvoudigde invoer- of uitvoerprocedures kan vrijstelling van de overlegging van het certificaat aan de douanedienst worden verleend of kan deze overlegging achteraf plaatsvinden. De importeur of exporteur moet echter in het bezit van het certificaat zijn op de datum die als datum van aanvaarding van de aangifte ten in- of uitvoer geldt.”
15 Artikel 24 van deze verordening bepaalde: „1. Exemplaar nr. 1 van het certificaat wordt overgelegd aan het douanekantoor waar wordt aanvaard: [...] b) wanneer het een uitvoercertificaat of een certificaat met vaststelling vooraf van de restitutie betreft, de aangifte: — voor uitvoer [...], [...] 2. Bij de aanvaarding van de in lid 1 bedoelde aangifte wordt exemplaar nr. 1 van het certificaat aan de douaneautoriteiten overgelegd of ter beschikking van deze autoriteiten gehouden. 3. Exemplaar nr. 1 van het certificaat wordt na afschrijving en visering door het in lid 1 bedoelde kantoor aan de belanghebbende overhandigd. De lidstaten kunnen echter voorschrijven of toestaan dat de afschrijving op het certificaat door de belanghebbende geschiedt; deze afschrijving wordt door het bevoegde douanekantoor steeds geverifieerd en geviseerd. [...]”
16 Artikel 25, lid 1, van deze verordening bepaalde: „In afwijking van artikel 24 kan een lidstaat toestaan dat het certificaat wordt ingediend bij de instantie van afgifte of, in voorkomend geval, bij de met de uitkering van de restitutie belaste autoriteit.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17 Nordex gaf op 2 mei 2002 bij het bevoegde douanekantoor, het Zollamt Nesserland, de uitvoer van fetakaas van Duitsland naar Kosovo aan. Daarbij verwees zij naar een door de Deense instanties afgegeven uitvoercertificaat. Daar dat certificaat niet samen met de uitvoeraangifte werd overgelegd, verleende het Zollamt Nesserland Nordex een termijn van één week voor indiening ervan. Het Zollamt Nesserland schreef de goederen na overlegging van dat certificaat binnen deze termijn af.
18 Nordex diende op 22 mei 2002 een aanvraag voor een gedifferentieerde uitvoerrestitutie in bij het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, de tot betaling van deze restitutie bevoegde instantie. Daarbij was een door de voorlopige douaneadministratie van Kosovo, de United Nations Interim Administration Mission in Kosovo (UNMIK), opgesteld formulier van 7 mei 2002 gevoegd tot vaststelling dat deze kaas in Kosovo in het vrije verkeer was gebracht.
19 Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas weigerde op 9 augustus 2002 betaling van de gevraagde uitvoerrestitutie op grond dat zonder geldig uitvoercertificaat was uitgevoerd. Nordex vorderde, nadat het Hauptzollamt Hamburg-Jonas haar klacht tegen deze weigering had afgewezen, deze restitutie voor het Finanzgericht Hamburg.
20 Eerst in 2004 en 2005 kwamen onregelmatigheden in de Kosovaarse douanedocumenten aan het licht. Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas legde op basis van artikel 51 van verordening nr. 800/1999 Nordex wegens de vervalste stempel van de douanedienst op het douanedocument tot vaststelling dat het product in Kosovo in het vrije verkeer was gebracht, bij een rectificatie van 25 januari 2006 een sanctie op.
21 Bijgevolg verzocht Nordex in het nog bij het Finanzgericht Hamburg aanhangige geding over de toekenning van de uitvoerrestitutie ook om nietigverklaring van de opgelegde sanctie. Daartoe legde Nordex nieuwe documenten in de vorm van brieven van de UNMIK-douanedienst en een eensluidend verklaard afschrift van een door deze dienst opgesteld oorspronkelijk inklaringsbewijs over.
22 Het Finanzgericht Hamburg verwierp de beroepen van Nordex. Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas is, aldus deze rechter, gebonden door de door het Zollamt Nesserland vastgestelde verlengingstermijn en kan dus de betaling van de uitvoerrestitutie niet weigeren op grond van te late indiening van het uitvoercertificaat. Daar de door Nordex in het geding overgelegde documenten tot bewijs dat is voldaan aan alle douaneformaliteiten voor invoer in Kosovo, niet binnen de gestelde termijnen, namelijk 12 maanden in de zin van artikel 49, lid 2, van verordening nr. 800/1999 of bij gebreke 18 maanden in de zin van artikel 50, lid 2, van deze verordening zijn ingediend, kon de gevraagde uitvoerrestitutie evenwel niet worden toegekend en is ook de sanctie van artikel 51 van verordening nr. 800/1999 opgelegd.
23 Nordex stelde daartegen hogere voorziening in bij het Bundesfinanzhof (Duitse hoogste instantie op belastinggebied).
24 In de eerste plaats, aldus deze rechter, hangt de oplossing van het geschil af van de vraag of de procedureregels met name in de zin van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 1291/2000 krachtens artikel 4 van verordening nr. 800/1999 moeten worden nageleefd voor het recht op restitutie in het hoofdgeding. Hij wijst erop dat deze vraag evenwel alleen rijst ingeval de tot betaling van de restituties bevoegde instantie niet is gebonden door de door het douanekantoor van uitvoer verleende bijkomende termijn voor indiening van het uitvoercertificaat.
25 In de tweede plaats betwijfelt het Bundesfinanzhof of de termijn van twaalf maanden van artikel 49, lid 2, van verordening nr. 800/1999 van toepassing is, wanneer de te late indiening van het bewijs van de aankomst ter bestemming van de goederen de restitutieprocedure niet belemmerde of vertraagde, nu de bevoegde autoriteiten de aanvraag van Nordex om andere redenen afwezen.
26 In de derde plaats, aldus het Bundesfinanzhof, volgt inzake de toepassing van een sanctie uit artikel 51, lid 1, van verordening nr. 800/1999, zoals door het Hof uitgelegd, niet duidelijk dat een sanctie ook wordt opgelegd wanneer de documenten tot bewijs van de aankomst ter bestemming van de goederen vervalst blijken, maar in de loop van het geding zijn vervangen door documenten die voldoen aan de gestelde eisen.
27 Daarom heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Dient bij de beslissing over de toekenning van restituties bij uitvoer ervan te worden uitgegaan dat een uitvoercertificaat overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening [nr. 800/1999] is overgelegd, wanneer het douanekantoor van uitvoer de aangifte ten uitvoer zonder overlegging van het certificaat heeft aanvaard, daarbij de exporteur heeft toegestaan om het certificaat binnen een bepaalde termijn alsnog over te leggen en deze hieraan heeft voldaan? 2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: vereist artikel 4, lid 1, van verordening [nr. 800/1999] dwingend dat het uitvoercertificaat reeds bij de aangifte ten uitvoer wordt overgelegd, of is het voldoende dat de exporteur een (hem vóór de uitvoer verstrekt) uitvoercertificaat pas in de betalingsprocedure overlegt? 3) Kan de exporteur die in eerste instantie vervalste douanedocumenten tot bewijs van de aankomst ter bestemming van de uitgevoerde goederen heeft overgelegd, tot behoud van zijn recht nog na afloop van de in verordening [nr. 800/1999] bepaalde termijnen geldige douanedocumenten overleggen, wanneer de te late overlegging de afwikkeling van de betalingsprocedure niet heeft vertraagd of belemmerd doordat de restitutieaanvraag in eerste instantie is afgewezen op andere gronden dan het verzuim van overlegging van dergelijke bewijzen van aankomst in het land van bestemming, en deze bewijzen pas zijn overgelegd nadat de vervalsing van deze documenten was geconstateerd? 4) Dient een sanctie zoals bedoeld in artikel 51 van verordening [nr. 800/1999] ook dan te worden opgelegd, wanneer de gevraagde restitutie bij uitvoer weliswaar gelijk is aan de daadwerkelijk toe te kennen restitutie, maar de exporteur in de betalingsprocedure in eerste instantie documenten had overgelegd op grond waarvan hem geen restitutie bij uitvoer had kunnen worden toegekend?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
28 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een uitvoercertificaat kan worden geacht overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 800/1999 te zijn overgelegd wanneer de uitvoer plaatsvond zonder dat certificaat, waarvan het bestaan ten tijde van de uitvoeraangifte evenwel vaststond en dat door de exporteur binnen de daartoe door het bevoegde douanekantoor gestelde bijkomende termijn van één week is overgelegd.
29 Volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 800/1999 ontstaat het recht op restitutie pas na overlegging van een uitvoercertificaat aan de bevoegde douanedienst.
30 Artikel 4 van verordening nr. 800/1999 maakt deel uit van de algemene bepalingen ervan inzake uitvoerrestitutie; het Hof oordeelde inzake artikel 3 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), dat overeenkomt met artikel 5 van verordening nr. 800/1999 en deel uitmaakt van dezelfde algemene bepalingen, dat de door artikel 3 bedoelde gegevens niet alleen dienen om het juiste restitutiebedrag te berekenen, maar vooral om uit te maken of er recht op deze restitutie is en het onderzoek van de restitutieaanvraag op gang te brengen (arrest Dachsberger & Söhne, C‑77/08, EU:C:2009:172, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Wat de te verrichten verificaties betreft, moet het bevoegde douanekantoor, aldus artikel 5, lid 7, van verordening nr. 800/1999, in staat zijn de goederen waarvoor uitvoerrestituties zijn aangevraagd, fysiek te controleren en de voor identificatie vereiste maatregelen te nemen voor het vervoer naar het kantoor van uitgang uit het douanegebied van de Unie.
32 Deze controles zijn namelijk noodzakelijk om de doelstellingen van de Unieregeling op het gebied van uitvoerrestituties te verwezenlijken (zie in die zin arresten Dachsberger & Söhne, EU:C:2009:172, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Südzucker e.a., C‑608/10, C‑10/11 en C‑23/11, EU:C:2012:444, punt 43).
33 Derhalve vormt overlegging van het uitvoercertificaat een essentieel element van het stelsel van verificaties van de restitutie-aanvragen.
34 Verordening nr. 800/1999 zegt evenwel niets over de wijze waarop het uitvoercertificaat moet worden overgelegd. Zulks blijkt uit verordening nr. 1291/2000. Blijkens punt 15 van de considerans van deze verordening geeft dat certificaat het recht uit te voeren zodat het moet worden overgelegd bij de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer.
35 Volgens artikel 24, lid 1, van verordening nr. 1291/2000 wordt het uitvoercertificaat overgelegd aan het douanekantoor waar de uitvoeraangifte wordt aanvaard. Volgens artikel 24, lid 2, van deze verordening wordt het certificaat aan de douaneautoriteiten overgelegd of ter beschikking van deze autoriteiten gehouden bij de aanvaarding van deze aangifte.
36 In afwijking van artikel 24 van deze verordening kan een lidstaat volgens artikel 25 ervan toestaan dat het uitvoercertificaat wordt overgelegd aan de instantie van afgifte of, in voorkomend geval, aan de met de uitkering van de restitutie belaste autoriteit.
37 Bovendien kan bij vereenvoudigde uitvoerprocedures, aldus punt 16 van de considerans van deze verordening, worden vrijgesteld van overlegging van het uitvoercertificaat aan de douanedienst of kan dit certificaat achteraf worden overgelegd. De exporteur moet echter in het bezit zijn van dat certificaat op de datum die als datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer geldt.
38 Blijkens de artikelen 24 en 25 alsook punt 16 van de considerans van verordening nr. 1291/2000 heeft de Uniewetgever het de exporteur in bepaalde omstandigheden mogelijk willen maken om het uitvoercertificaat hetzij ter beschikking van de douanedienst te houden, hetzij zelf later over te leggen.
39 Het bestaan zelf van deze uitzonderingen wijst er dus op dat overlegging van het invoercertificaat op het tijdstip van de aanvaarding van de uitvoeraangifte niet in alle gevallen een onontbeerlijke voorwaarde voor toekenning van de uitvoerrestitutie is, mits evenwel geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Unieregeling inzake uitvoerrestituties en de bevoegde autoriteiten fysieke controles konden verrichten.
40 In casu staat allereerst vast dat het uitvoercertificaat bestond ten tijde van de aanvaarding van de uitvoeraangifte en dat het bevoegde douanekantoor er kennis van heeft genomen. Vervolgens blijkt dat de vertraagde toezending aan dit kantoor van het door de Deense autoriteiten opgestelde uitvoercertificaat niet rechtstreeks aan Nordex is te wijten. Ten slotte blijkt uit de verwijzingsbeslissing niet dat de overlegging van dit uitvoercertificaat na indiening van de uitvoeraangifte een belemmering vormde voor de noodzakelijke fysieke controle die door het bevoegde douanekantoor is verricht.
41 Aangaande de vraag of de tot betaling van de uitvoerrestitutie bevoegde autoriteit zich kon verzetten tegen toekenning van een bijkomende termijn door de bevoegde douaneautoriteit, moet de douaneregeling van de Unie aldus worden uitgelegd dat het tot betaling van deze restitutie bevoegde douanekantoor is gebonden door een beschikking van het douanekantoor van uitvoer, indien deze beschikking aan de formele en materiële voorwaarden van een „beschikking” in de zin van zowel artikel 4, punt 5, van het douanewetboek als de relevante bepalingen van het betrokken nationale recht voldoet (zie in die zin arrest Südzucker e.a., EU:C:2012:444, punten 64‑67).
42 Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan deze voorwaarden is voldaan (zie in die zin arrest Südzucker e.a., EU:C:2012:444, punt 67).
43 Mitsdien moet artikel 4, lid 1, van verordening nr. 800/1999 juncto artikel 24 van verordening nr. 1291/2000 aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen toekenning van de uitvoerrestitutie in bijzondere omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin de uitvoer plaatsvond zonder het uitvoercertificaat, waarvan het bestaan evenwel ten tijde van de uitvoeraangifte vaststond en dat door de exporteur binnen de daartoe door het bevoegde douanekantoor gestelde bijkomende termijn van één week is overgelegd.
Tweede vraag
44 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
Derde vraag
45 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de exporteur die vervalste douanedocumenten tot bewijs van de aankomst van de uitgevoerde goederen in het land van bestemming heeft overgelegd, na afloop van de termijnen van de artikelen 49 en 50 van verordening nr. 800/1999 in een aanhangig rechtsgeding inzake toekenning van de uitvoerrestitutie geldige douanedocumenten mag overleggen, ook al is toekenning van de uitvoerrestitutie vertraagd om andere redenen dan redenen die verband houden met het bewijs van de aankomst van deze goederen.
46 Om te beginnen moet de exporteur volgens artikel 49, lid 1, van verordening nr. 800/1999 uitdrukkelijk verzoeken om betaling van de uitvoerrestitutie. De exporteur moet het dossier voor de betaling van deze restitutie krachtens artikel 49, lid 2, van deze verordening, behalve in geval van overmacht, binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, bij de bevoegde nationale instanties indienen.
47 Enerzijds houdt een dergelijke termijn van 12 maanden volgens het Hof rekening met het belang van de overheden van de lidstaten om de dossiers inzake uitvoerrestitutie binnen een redelijke termijn af te sluiten (zie in die zin inzake soortgelijke bepalingen als artikel 47, lid 2, van verordening nr. 3665/87, arrest Eribrand, C‑467/01, EU:C:2003:364, punt 40).
48 Anderzijds houdt de Unieregeling ook rekening met de eventuele praktische moeilijkheden voor de exporteurs om de douanedocumenten te verkrijgen van de autoriteiten van derde landen van invoer, waarop zij geen enkele druk kunnen uitoefenen. In die context derhalve kunnen de bevoegde nationale autoriteiten de betrokken exporteur bijkomende termijnen toestaan (zie in die zin arrest Eribrand, EU:C:2003:364, punten 41 en 42).
49 Blijkens opzet en geest van de toepasselijke regeling, inzonderheid blijkens artikel 49 van verordening nr. 800/1999, wil deze verordening de zorgvuldige exporteur die, hoewel hij alle nodige moeite heeft gedaan, de tot betaling van de restitutie vereiste documenten wegens het verlies van deze documenten als gevolg van omstandigheden buiten zijn toedoen niet kan overleggen, de restituties namelijk niet automatisch ontzeggen (zie in die zin arrest Bonn Fleisch, C‑1/06, EU:C:2007:396, punt 46).
50 Zo bepaalt artikel 49, lid 4, van verordening nr. 800/1999 dat, wanneer de documenten die bewijzen dat is voldaan aan de douaneformaliteiten van invoer, niet binnen de termijn van twaalf maanden konden worden overgelegd, de exporteur, hoewel hij zich de nodige moeite heeft gegeven om de documenten binnen die termijn te verkrijgen en mee te delen, op zijn verzoek bijkomende termijnen kunnen worden toegestaan.
51 Hoewel de tekst van artikel 49 van verordening nr. 800/1999 geen enkele beperking stelt op de duur van de bijkomende termijnen die kunnen worden toegestaan, kan de exporteur die een bijkomende termijn heeft gekregen, blijkens de uitdrukkelijke verwijzing in artikel 50, lid 2, van deze verordening naar de termijnen van artikel 49, leden 2 en 4, ervan nog gedurende zes maanden na het verstrijken van deze termijn zijn dossier aanvullen en aldus de betaling van 85 % van de restitutie verkrijgen die had moeten worden uitgekeerd indien aan alle vereisten was voldaan (zie in die zin arrest Eribrand, EU:C:2003:364, punt 45).
52 De restitutie wordt, aldus de vijfentwintigste overweging van verordening nr. 3665/87, evenwel niet meer toegekend wanneer de termijnen voor de uitvoer of voor het leveren van de nodige bewijzen om de betaling van de restitutie te verkrijgen, overschreden zijn. Zo oordeelde het Hof inzake deze verordening dat de uitvoerrestitutierechten bij schending van de in de regeling vastgelegde procedureregels kunnen worden verlaagd, ja zelfs verbeurd en dat zulks met name het geval is wanneer een exporteur de voor de verkrijging van een uitvoerrestitutie noodzakelijke bewijsstukken pas overlegt na het verstrijken van de termijnen van de artikelen 47, lid 2, en 48, lid 2, van deze verordening, die inhoudelijk identiek zijn aan de artikelen 49, lid 2, en 50, lid 2, van verordening 800/1999 (arrest Laub, C‑428/05, EU:C:2007:368, punt 16).
53 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de te late overlegging van het bewijs van de aankomst van de uitgevoerde goederen in het land van bestemming geen weerslag heeft gehad op het verloop van de procedure tot toekenning van de uitvoerrestitutie die is vertraagd om andere redenen dan redenen die verband houden met het bewijs van deze aankomst.
54 Wanneer een dergelijk te laat geleverd bewijs zou worden aanvaard, zouden niet alleen de artikelen 49 en 50 van verordening nr. 800/1999 en de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om de termijnen op verzoek van de exporteur te verlengen, maar ook het verificatieproces van de restitutie-aanvragen elke nuttige werking verliezen. Indien geldige documenten tot bewijs van de aankomst van de uitgevoerde goederen in het land van bestemming konden worden overgelegd nadat vervalsing van de oorspronkelijk ingediende douanedocumenten is vastgesteld, zou de exporteur zijn restitutie-aanvraag namelijk naar wens kunnen aanpassen of op het resultaat van een eventuele controle kunnen afstemmen en zich dus met name onttrekken aan de sancties van artikel 51 van verordening nr. 800/1999, waarbij de afschrikkende en nuttige werking van dit artikel grotendeels verloren zou gaan.
55 In dezelfde context kan de tijdsduur van het onderzoek door de bevoegde nationale autoriteiten tot vaststelling dat de documenten tot bewijs van de aankomst van de uitgevoerde goederen in het land van bestemming waren vervalst, niet worden gelijkgesteld met een geval van overmacht in de zin van artikel 49, lid 2, van verordening nr. 800/1999, aangezien vertragingen van de nationale autoriteiten blijkens de voorlaatste overweging van verordening nr. 3665/87 als geval van overmacht kunnen gelden wanneer zij ambtelijk zijn en niet aan de exporteur zijn te wijten.
56 De fout of de vergissing van een medecontractant van de exporteur, buiten toedoen van de exporteur, vormt volgens vaste rechtspraak van het Hof niettemin een normaal handelsrisico en kan in het kader van handelstransacties dus niet als onvoorzienbaar gelden. De exporteur is vrij bij de keuze van zijn medecontractanten en dient de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen, hetzij door daartoe strekkende clausules op te nemen in de met hen te sluiten overeenkomsten, hetzij door een bijzondere verzekering aan te gaan (zie in die zin arresten AOB Reuter, C‑143/07, EU:C:2008:249, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Eurofit, C‑99/12, EU:C:2013:487, punt 43).
57 Mitsdien moeten de artikelen 49 en 50 van verordening nr. 800/1999 aldus worden uitgelegd dat, behalve bij overmacht, de exporteur die achteraf vervalst gebleken douanedocumenten tot bewijs van de aankomst van de uitgevoerde goederen in het land van bestemming heeft overgelegd, na afloop van de termijnen van deze artikelen in een aanhangig rechtsgeding inzake toekenning van de uitvoerrestitutie geen geldige douanedocumenten kan overleggen, ook al is toekenning van de restitutie vertraagd om andere redenen dan redenen die verband houden met het bewijs van de aankomst van deze goederen.
Vierde vraag
58 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 51, lid 1, sub a, van verordening nr. 800/1999 aldus moet worden uitgelegd dat de daarin bedoelde sanctie van toepassing is wanneer de exporteur binnen de gestelde termijnen documenten tot bewijs van de aankomst van de naar het land van bestemming uitgevoerde producten heeft overgelegd, die vervalst zijn gebleken, ook al komt de gevraagde uitvoerrestitutie blijkens in de loop van het geding overgelegde geldige documenten overeen met die welke hem had moet worden toegekend.
59 Tot beoordeling van de strekking van artikel 51 van verordening nr. 800/1999 mag niet worden vergeten dat de Unieregeling overeenkomstig de punten 63 en 64 van deze verordening, gezien de opgedane ervaring, strekt tot bestrijding van onregelmatigheden, en vooral van fraude, ten nadele van de Uniebegroting met sancties om de exporteurs ertoe aan te sporen de Unieregeling na te leven (zie in die zin arrest Elfering Export, C‑27/05, EU:C:2006:260, punt 31), zonder dat het subjectieve schuldelement van de door de exporteur gepleegde fraude in dit opzicht relevant is (arrest Eurofit, EU:C:2013:487, punt 38).
60 Daaruit volgt dat de aansprakelijkheid aan de grondslag van de sanctie van artikel 51, lid 1, sub a, van verordening nr. 800/1999 in wezen van objectieve aard is (zie wat artikel 11, lid 1, eerste alinea, sub a, van verordening nr. 3665/87 betreft, dat inhoudelijk in wezen overeenkomt met deze bepaling van verordening nr. 800/1999, arrest AOB Reuter, EU:C:2008:249, punt 19). Daaruit volgt dat de verlaging van de restitutie in de zin van artikel 51, lid 1, sub a, van verordening nr. 800/1999 moet worden toegepast ook zonder schuld van de exporteur (zie in die zin arrest AOB Reuter, EU:C:2008:249, punt 17).
61 Voorts strekken de sanctieregels ook tot eerbiediging van de Unieregeling in het algemeen, en niet enkel van een deel of specifieke bepalingen daarvan (zie arrest Elfering Export, EU:C:2006:260, punt 32). De sanctiebepalingen onderscheiden dus niet tussen vormvoorwaarden inzake de inachtneming van de termijnen en de materiële voorwaarden inzake de inhoud van de aangiften.
62 In casu bleken de documenten tot bewijs van de aankomst van de uitgevoerde goederen in het land van bestemming, die binnen de door de regeling voorgeschreven termijnen zijn overgelegd, te zijn vervalst. De sanctie in de zin van artikel 51, lid 1, sub a, van verordening nr. 800/1999 moest dus worden opgelegd aan de betrokken exporteur, die niet binnen de termijnen alle door de betrokken regeling vereiste documenten had overgelegd, tenzij een uitsluitingsgrond vermeld in de uitputtende lijst van artikel 51, lid 3, van deze verordening op hem van toepassing is, waaraan geen nieuwe uitsluitingsgrond kan worden toegevoegd, met name het ontbreken van enig schuldig gedrag van de exporteur (zie in die zin arresten AOB Reuter, EU:C:2008:249, punt 36, en Eurofit, EU:C:2013:487, punt 43).
63 Mitsdien moet artikel 51, lid 1, sub a, van verordening nr. 800/1999 aldus worden uitgelegd dat de daarin bedoelde sanctie van toepassing is wanneer de exporteur binnen de gestelde termijnen documenten tot bewijs van de aankomst van de uitgevoerde producten in het land van bestemming heeft overgelegd, die vervalst zijn gebleken, ook al komt de gevraagde uitvoerrestitutie blijkens in de loop van het geding overgelegde geldige documenten overeen met die welke hem had moet worden toegekend.
Kosten
64 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 4, lid 1, van verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2299/2001 van de Commissie van 26 november 2001, gelezen in samenhang met artikel 24 van verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer‑, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen toekenning van de uitvoerrestitutie in bijzondere omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin de uitvoer plaatsvond zonder het uitvoercertificaat, waarvan het bestaan evenwel ten tijde van de uitvoeraangifte vaststond en dat door de exporteur binnen de daartoe door het bevoegde douanekantoor gestelde bijkomende termijn van een week is overgelegd.
2) De artikelen 49 en 50 van verordening nr. 800/1999, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2299/2001, moeten aldus worden uitgelegd dat, behalve bij overmacht, de exporteur die achteraf vervalst gebleken douanedocumenten tot bewijs van de aankomst van de uitgevoerde goederen in het land van bestemming heeft overgelegd, na afloop van de termijnen van deze artikelen in een aanhangig rechtsgeding inzake de toekenning van de uitvoerrestitutie geen geldige douanedocumenten kan overleggen, ook al is toekenning van de restitutie vertraagd om andere redenen dan redenen die verband houden met het bewijs van de aankomst van deze goederen.
3) Artikel 51, lid 1, sub a, van verordening nr. 800/1999, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2299/2001, moet aldus worden uitgelegd dat de daarin bedoelde sanctie van toepassing is wanneer de exporteur binnen de gestelde termijnen documenten tot bewijs van de aankomst van de uitgevoerde producten in het land van bestemming heeft overgelegd, die vervalst zijn gebleken, ook al komt de gevraagde uitvoerrestitutie blijkens in de loop van het geding overgelegde geldige documenten overeen met die welke hem had moet worden toegekend.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 18 juli 2013, C-99/12, ECLI:EU:C:2013:487
- HvJ EU 12 juli 2012, C-608/10, ECLI:EU:C:2012:444
- HvJ EU 19 maart 2009, C-77/08, ECLI:EU:C:2009:172
- HvJ EU 24 april 2008, C-143/07, ECLI:EU:C:2008:249
- HvJ EU 28 juni 2007, C-1/06, ECLI:EU:C:2007:396
- HvJ EU 21 juni 2007, C-428/05, ECLI:EU:C:2007:368
- HvJ EU 27 april 2006, C-27/05, ECLI:EU:C:2006:260
- HvJ EU 19 juni 2003, C-467/01, ECLI:EU:C:2003:364