Art. 5
1. Onder de dag van uitvoer wordt verstaan de dag waarop de douaneautoriteit de aangifte ten uitvoer aanvaardt, waarin is vermeld dat een restitutie zal worden gevraagd.
2. De dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, is bepalend voor:
a) de toe te passen restitutievoet, ingeval de restitutie niet vooraf werd vastgesteld,
b) de in voorkomend geval uit te voeren aanpassingen van de restitutievoet, ingeval de restitutie vooraf werd vastgesteld,
c) de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product.
3. Elke handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft als de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer, wordt met die aanvaarding gelijkgesteld.
4. Op het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen moeten alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie worden vermeld, en met name:
a) voor producten:
- de, eventueel vereenvoudigde, omschrijving van de producten volgens de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties en de code van de restitutienomenclatuur en, voorzover nodig voor de berekening van de restitutie, de samenstelling van de betrokken producten of een verwijzing naar deze samenstelling;
- de nettomassa van de producten, of, in voorkomend geval, de hoeveelheid in de voor de berekening van de restitutie in aanmerking te nemen meeteenheid;
b) voor goederen is het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1222/94 van toepassing.
5. Op het tijdstip van deze aanvaarding of van de in lid 3 bedoelde handeling worden de producten overeenkomstig artikel 4, punten 13 en 14, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 onder douanecontrole geplaatst totdat zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.
6. ln afwijking van artikel 282, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2454/93, kan in de vergunning om een vereenvoudigde aangifte ten uitvoer in te dienen worden bepaald dat de vereenvoudigde aangifte een schatting van de nettomassa van de producten moet bevatten, wanneer, bij producten die in bulk of in niet-gestandaardiseerde eenheden worden uitgevoerd, het gewicht alleen exact kan worden vastgesteld nadat het vervoermiddel geladen is.
De aanvullende aangifte waarin het exacte gewicht wordt aangegeven, moet onmiddellijk na het laden worden ingediend. Zij moet vergezeld gaan van schriftelijke bewijsstukken waaruit de exact geladen nettomassa blijkt.
Voor de hoeveelheid boven 110 % van de geschatte nettomassa wordt geen restitutie toegekend. Wanneer de daadwerkelijk geladen massa minder bedraagt dan 90 % van de geschatte nettomassa, wordt de restitutie voor de daadwerkelijk geladen nettomassa verlaagd met 10 % van het verschil tussen de restitutie voor 90 % van de geschatte nettomassa en de restitutie voor de daadwerkelijk geladen massa.
Als producten in niet-gestandaardiseerde eenheden worden beschouwd: levende dieren, (halve) karkassen en voor- en achtervoeten.
ln afwijking van artikel 278, lid 3, onder d), van Verordening (EEG) nr. 2454/93 is het bepaalde in dit lid van toepassing op de producten die onder de in artikel 26 van deze verordening bedoelde voorfinancieringsregeling worden geplaatst.
7. Ieder die producten uitvoert waarvoor hij om toekenning van de restitutie verzoekt, is verplicht:
a) de aangifte ten uitvoer in te dienen op het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de producten worden geladen voor het vervoer met het oog op uitvoer;
b) dit douanekantoor ten minste 24 uur vóór het begin van de belading ervan in kennis te stellen dat de voor uitvoer bestemde producten worden geladen en aan te geven hoe lang het laden ervan naar verwachting zal duren. De bevoegde autoriteiten kunnen besluiten tot toepassing van een andere termijn dan 24 uur.
Het bevoegde douanekantoor kan toestemming verlenen de producten te laden nadat de aangifte ten uitvoer is aanvaard en voordat de onder b) bedoelde termijn is verstreken.
Het bevoegde douanekantoor moet in staat zijn de fysieke controle uit te voeren en de voor identificatie vereiste maatregelen te nemen voor het vervoer naar het kantoor van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap.
lndien een lidstaat om redenen die verband houden met de bestuurlijke inrichting besluit dat het in de eerste alinea bepaalde niet kan worden toegepast, mag de aangifte ten uitvoer slechts worden ingediend bij een bevoegd douanekantoor in de betrokken lidstaat en moet, indien een fysieke controle overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad plaatsvindt, in voorkomend geval een ter controle aangeboden geladen product geheel worden uitgeladen. Het product behoeft echter niet geheel te worden uitgeladen wanneer de bevoegde autoriteiten kunnen garanderen dat er een afdoende fysieke controle zal plaatsvinden.