Art. 7 Verordening (EG) nr. 800/1999
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 14 en 20 mag de restitutie slechts worden uitbetaald indien het bewijs is geleverd dat de producten waarvoor de aangifte ten uitvoer is aanvaard, uiterlijk zestig dagen na die aanvaarding in ongewijzigde staat het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.
De hoeveelheden producten die bij de vervulling van de douaneformaliteiten bij uitvoer als monster zijn genomen en later niet zijn teruggegeven, worden evenwel geacht niet te zijn weggenomen van de nettomassa van de producten waaruit zij zijn genomen.
2. Voor de toepassing van deze verordening worden voor de bevoorrading van boor- of productieplatforms als bedoeld in artikel 44, lid 1, onder a), geleverde producten geacht het douanegebied van de Gemeenschap te hebben verlaten.
3. Het invriezen van de producten laat het bepaalde in lid 1 onverlet.
Dit geldt eveneens voor herverpakking, op voorwaarde dat het product daardoor niet van onderverdeling van de restitutienomenclatuur verandert of het goed niet van onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur. Deze herverpakking mag eerst plaatsvinden nadat de douaneautoriteiten daarmee hebben ingestemd.
Bij herverpakking wordt het controle-exemplaar T5 van de desbetreffende aantekening voorzien.
Het aanbrengen of wijzigen van etiketten kan worden toegestaan onder dezelfde voorwaarden als de in de tweede en de derde alinea bedoelde herverpakking.
4. Indien de in lid 1 vermelde termijn ten gevolge van overmacht niet in acht kon worden genomen, kan deze termijn op verzoek van de exporteur worden verlengd met een door de bevoegde instantie van de lidstaat van uitvoer op grond van de aangevoerde omstandigheid nodig geoordeelde termijn.