Art. 20 Verordening (EG) nr. 800/1999
1. Wanneer
a) ernstige twijfel bestaat over de werkelijke bestemming van het product,
of
b) het product opnieuw in de Gemeenschap zou kunnen worden ingevoerd wegens een verschil tussen het bedrag van de restitutie voor het uitgevoerde product en het bedrag van de niet-preferentiële rechten bij invoer voor eenzelfde product op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard,
of
c) het concrete vermoeden bestaat dat het product in ongewijzigde staat of na be- of verwerking in een derde land opnieuw in de Gemeenschap zal worden ingevoerd met vrijstelling of verlaging van dat recht,
wordt de niet-gedifferentieerde restitutie of het in artikel 18, lid 2, bedoelde gedeelte van de restitutie slechts betaald indien het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten overeenkomstig artikel 7, en
i) bij een niet-gedifferentieerde restitutie, het product binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in een derde land is ingevoerd of daar binnen die termijn een ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 heeft ondergaan;
ii) bij een naar bestemming gedifferentieerde restitutie, het product binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in ongewijzigde staat in een nader bepaald derde land is ingevoerd.
Voor de invoer in een derde land geldt het bepaalde in artikel 15 en artikel 16.
Voor alle restituties kunnen de bevoegde diensten van de lidstaten bovendien aanvullende bewijzen eisen waaruit ten genoegen van de bevoegde autoriteiten moet blijken dat het product daadwerkelijk op de markt is gebracht in een derde land van invoer of daar een ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 heeft ondergaan.
Onder de in artikel 49 bedoelde voorwaarden kunnen aanvullende termijnen worden vastgesteld.
2. De lidstaten passen het bepaalde in lid l, op eigen initiatief en ook op verzoek van de Commissie toe.
Het bepaalde voor het in lid 1, onder b), bedoelde geval wordt niet toegepast indien de concrete omstandigheden van de betrokken transactie - met name gelet op de vervoerskosten - waarschijnlijk het gevaar van wederinvoer uitsluiten. Voorts kunnen de lidstaten van toepassing van het bepaalde voor het in lid 1, onder b), bedoelde geval afzien wanneer het restitutiebedrag voor de betrokken aangifte ten uitvoer niet hoger is dan 500 EUR.
3. Wanneer, bij toepassing van lid 1, het product na het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap door overmacht onderweg verloren is gegaan, wordt:
- bij een niet-gedifferentieerde restitutie, het volledige restitutiebedrag betaald,
- een gedifferentieerde restitutie, het bedrag van het overeenkomstig artikel 18 bepaalde gedeelte van de restitutie betaald.
4. Het bepaalde in lid 1 wordt toegepast voordat de restitutie wordt betaald.
De restitutie wordt evenwel beschouwd als niet verschuldigd en moet worden terugbetaald wanneer de bevoegde autoriteiten, zelfs na betaling van de restitutie, vaststellen dat:
a) het product is vernietigd of ernstig beschadigd voordat het in een derde land op de markt is gebracht of in een derde land een ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 heeft ondergaan, tenzij de exporteur ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan aantonen dat de uitvoer onder zodanige economische voorwaarden heeft plaatsgevonden dat het product redelijkerwijze op de markt van een derde land kon worden afgezet, onverminderd het bepaalde in artikel 21, lid 2, tweede alinea;
b) het product twaalf maanden na de datum van uitvoer uit de Gemeenschap in een derde land nog steeds onder een rechtenopschortende regeling is geplaatst zonder in een derde land een ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 te hebben ondergaan, en de uitvoer niet heeft plaatsgevonden in het kader van een normale handelstransactie;
c) het uitgevoerde product opnieuw in de Gemeenschap wordt ingevoerd zonder dat het een ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 heeft ondergaan, en het niet-preferentiële recht bij invoer lager is dan de toegekende restitutie, en de uitvoer niet heeft plaatsgevonden in het kader van een normale handelstransactie;
d) de in bijlage V bedoelde uitgevoerde producten opnieuw in de Gemeenschap worden ingevoerd:
- nadat zij in een derde land een be- of verwerking hebben ondergaan zonder het in artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 bedoelde niveau van be- of verwerking te hebben bereikt, en
- daarbij in aanmerking komen voor de toepassing van een nulrecht of van een recht bij invoer dat lager is dan het niet-preferentiële recht.
Ingeval de lidstaten vaststellen dat andere dan de in bij- lage V vermelde producten een risico op verlegging van het handelsverkeer vormen, stellen zij de Commissie daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.
De leden c) en d) zijn niet van toepassing ingeval het bepaalde in titel VI, hoofdstuk 2 "Terugkerende goederen" van Verordening (EEG) nr. 2913/92 wordt toegepast, en in de gevallen waarin de producten op zijn vroegst twee jaar na de dag van uitvoer opnieuw worden ingevoerd.
Artikel 51 is niet van toepassing in de onder b), c), en d), bedoelde gevallen.
Afdeling 4
Gevallen waarin geen restitutie wordt verleend