Art. 16 Verordening (EG) nr. 800/1999
1. Het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer zijn vervuld, wordt geleverd door overlegging van een van de volgende documenten naar keuze van de exporteur:
a) het douanedocument, een kopie of een fotokopie daarvan; die kopie of fotokopie moet voor eensluidend zijn gewaarmerkt door de instantie die het origineel heeft geviseerd, de officiële diensten van het betrokken derde land, de officiële diensten van een van de lidstaten in het betrokken derde land of een met de betaling van de restitutie belast orgaan;
b) een verklaring van lossing en invoer, opgesteld door een op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma die overeenkomstig de in lid 5 vermelde minimumvoorwaarden is erkend door een lidstaat. De datum en het nummer van het douanedocument voor invoer moeten op de verklaring worden vermeld.
2. Indien de exporteur, na daartoe de nodige stappen te hebben ondernomen, het overeenkomstig lid 1, onder a) of b), gekozen document niet kan verkrijgen of indien er twijfel bestaat over de authenticiteit van het overgelegde document, kan het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer zijn vervuld, worden geacht te zijn geleverd door overlegging van één of meer van de volgende documenten:
a) een kopie van het in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, afgegeven of geviseerd lossingsdocument;
b) een verklaring van lossing die door een in het land van bestemming gevestigde of voor dat land bevoegde officiële instantie van een van de lidstaten is afgegeven en waaruit bovendien blijkt dat het product de plaats van lossing heeft verlaten of althans dat het, voorzover deze instantie bekend, met het oog op wederuitvoer niet opnieuw is verladen;
c) een verklaring van lossing, opgesteld door een op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma die overeenkomstig de in lid 5 vermelde minimumvoorwaarden is erkend door een lidstaat, waaruit blijkt dat het product de plaats van lossing heeft verlaten of althans dat het, voor zover deze firma bekend, niet opnieuw is verladen met het oog op wederuitvoer;
d) een door een in de Gemeenschap gevestigde erkende tussenpersoon afgegeven bankdocument, waaruit blijkt dat, wanneer het in bijlage II genoemde derde landen betreft, op de rekening die de exporteur bij de erkende tussenpersoon heeft lopen, het bedrag voor de betrokken uitvoer is gecrediteerd;
e) een door een officiële instantie van het betrokken derde land afgegeven verklaring van overname, wanneer het om een aankoop door dat land of door een officiële instantie van dat land of om een voedselhulptransactie gaat;
f) een verklaring van overname die is afgegeven door een internationale organisatie of door een humanitaire organisatie die is erkend door de lidstaat van uitvoer, wanneer het om een voedselhulptransactie gaat;
g) een verklaring van overname door een instantie van een derde land waarvan voor de toepassing van artikel 44 van Verordening (EEG) nr. 3719/88 inschrijvingen kunnen worden aanvaard, ingeval het een aankoop door die instantie betreft.
3. De exporteur moet in alle gevallen een kopie of fotokopie van het vervoersdocument overleggen.
4. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG en de overeenkomstige artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening, bepalen dat in nader vast te stellen bijzondere gevallen het bewijs van de invoer als bedoeld in de leden 1 en 2 door overlegging van een bijzonder document of anderszins kan worden geleverd.
5. De minimumvoorwaarden voor erkenning van op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma's zijn:
a) de in controle en toezicht gespecialiseerde firma's worden op hun verzoek door de bevoegde diensten van de lidstaten voor een periode van drie jaar erkend. De erkenning is geldig voor alle lidstaten;
b) bij de opstelling van de in lid 1, onder b), en lid 2, onder c), bedoelde hoofd- en secundaire bewijsdocumenten moeten de controle- en toezichtfirma's alle controles uitvoeren die nodig zijn om de aard, de kenmerken en de hoeveelheid van de in de verklaring genoemde producten vast te stellen. Voor iedere afgegeven verklaring moet een dossier worden opgesteld waarin de uitgevoerde toezichtactiviteiten worden beschreven. De controles moeten ter plaatse op het moment van de invoer worden verricht, behalve in naar behoren gemotiveerde uitzonderingsgevallen;
c) de in lid 1, onder b), en lid 2, onder c), bedoelde controle- en toezichtfirma's moeten onafhankelijk zijn van de partijen die bij de te controleren transactie zijn betrokken. Met name mag de controle- en toezichtfirma die de inspectie met betrekking tot een bepaalde transactie uitvoert, of enige tot dezelfde financiële groep behorende dochterfirma niet aan de transactie deelnemen als exporteur, douane-expediteur, vervoerder, consignatiehouder of entrepothouder of in welke andere hoedanigheid dan ook die aanleiding tot een belangenconflict zou kunnen geven;
d) onverminderd het bepaalde in artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 729/70 en in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 4045/89 van de Raad(36), controleren de lidstaten de activiteiten van de controle- en toezichtfirma's met regelmatige tussenpozen of in geval van gegronde twijfel of aan de voorwaarden voor erkenning wordt voldaan;
e) de lidstaten trekken de erkenning geheel of gedeeltelijk in, zodra wordt vastgesteld dat de controle- en toezichtfirma niet langer de garantie biedt dat aan de erkenningsvoorwaarden wordt voldaan.
De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie onverwijld van de intrekking van de erkenning in kennis. Over deze informatie wordt in alle betrokken Comités van beheer van gedachten gewisseld.
De intrekking van de erkenning geldt voor alle lidstaten.