Art. 6 Richtlijn 1999/36/EG, Periodieke keuring en herhaald gebruik
1. De periodieke keuring van de in artikel 1, lid 2, onder c), bedoelde recipiënten, met inbegrip van kranen en ander voor het vervoer gebruikt toebehoren, wordt volgens de procedures van bijlage IV, deel III, uitgevoerd door een aangemelde of erkende instantie. De periodieke keuring van tanks, met inbegrip van kranen en ander voor het vervoer gebruikt toebehoren, wordt volgens de procedures van bijlage IV, deel III, module 1, uitgevoerd door een aangemelde instantie.
De lidstaten mogen echter ook toestaan dat de op hun grondgebied verrichte periodieke keuring van de tanks eveneens wordt uitgevoerd door de erkende instanties die zijn aanvaard voor de uitvoering van de periodieke keuring van de tanks en die handelen onder toezicht van een aangemelde instantie volgens de procedure van bijlage IV, deel III, module 2, betreffende de periodieke keuring via kwaliteitsborging.
2. De in artikel 1, lid 2, vermelde vervoerbare drukapparatuur mag in iedere lidstaat aan een periodieke keuring worden onderworpen.
3. De lidstaten mogen het gebruik (met inbegrip van het vullen, opslaan, legen en hervullen) op hun grondgebied van de hierna volgende vervoerbare drukapparatuur niet verbieden, beperken of belemmeren om redenen die verband houden met de vervoerbare drukapparatuur als zodanig:
- de drukapparatuur als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a) en b), en onder c), eerste alinea, die aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet en voorzien is van de desbetreffende markering;
- de bestaande gasflessen die voorzien zijn van de markering van overeenstemming als bepaald bij de Richtlijnen 94/525/EEG, 84/526/EEG en 84/527/EEG, alsmede van de markering en het identificatienummer als bedoeld in artikel 10, lid 3, van onderhavige richtlijn, wat aangeeft dat zij de periodieke keuring hebben ondergaan.
4. De lidstaten mogen nationale voorschriften vaststellen voor het opslaan of het gebruik van vervoerbare drukapparatuur, maar niet voor de vervoerbare drukapparatuur zelf of het tijdens het vervoer noodzakelijke toebehoren. Uit hoofde van artikel 7 mogen de lidstaten de nationale voorschriften inzake de aansluitvoorzieningen, de kleurencodes en de referentietemperatuur echter handhaven.