Art. 5 Verordening (EG) nr. 950/97

Verordening (EG) nr. 950/97

1. De steunregeling wordt beperkt tot landbouwbedrijven waarvan het bedrijfshoofd:

a) de landbouw als hoofdberoep uitoefent.

De lidstaten kunnen deze steunregeling evenwel laten gelden voor landbouwbedrijfshoofden in deeltijd die ten minste 50 % van hun totale inkomen verkrijgen uit activiteiten op het gebied van landbouw, bosbouw, toerisme, ambachtsnijverheid of door de overheid gesubsidieerde activiteiten voor landschapsinstandhouding, die op hun bedrijf worden verricht, zonder dat evenwel het inkomen dat rechtstreeks uit de landbouwactiviteit op het bedrijf wordt verkregen, minder dan 25 % van het totale inkomen van het bedrijfshoofd bedraagt en de aan activiteiten buiten het bedrijf bestede arbeidstijd meer dan de helft van de totale arbeidstijd van het bedrijfshoofd uitmaakt;

b) over voldoende vakbekwaamheid beschikt;

c) een plan voor de verbetering van zijn bedrijf indient. In dit plan moet worden aangetoond dat de investeringen in het licht van de toestand en de opzet van het bedrijf gerechtvaardigd zijn, en dat de uitvoering van dit plan tot een duurzame verbetering van deze toestand zal leiden;

d) zich ertoe verplicht een vereenvoudigde boekhouding te voeren, die ten minste het volgende behelst:

- het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken,

- het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.

2. De steunregeling geldt uitsluitend voor landbouwbedrijven waarvan het arbeidsinkomen per volle arbeidskracht (VAK) lager is dan 1,2 keer het in lid 3 bedoelde referentie-inkomen.

Bovendien kunnen de lidstaten de in lid 1 bedoelde steunregeling tot gezinsbedrijven in de landbouw beperken.

3. De lidstaten stellen het referentie-inkomen vast op een peil dat niet hoger mag liggen dan het gemiddelde brutoloon van de niet-agrarische werknemers in het betrokken gebied.

4. Het plan voor de verbetering van het bedrijf behelst ten minste:

a) een beschrijving van de begintoestand;

b) een beschrijving van de toestand bij de voltooiing van het plan, opgesteld op basis van een voorlopige begroting;

c) een opgave van de maatregelen, en met name van de investeringen die worden beoogd.

5. De lidstaten definiëren het begrip "bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw".

Voor natuurlijke personen behelst deze definitie ten minste de voorwaarde dat het inkomen uit het landbouwbedrijf 50 % of meer van het totale inkomen van het bedrijfshoofd bedraagt en dat de aan werkzaamheden buiten het bedrijf bestede arbeidstijd minder dan de helft van de totale arbeidstijd van het bedrijfshoofd uitmaakt.

Met inachtneming van de in de tweede alinea aangegeven criteria definiëren de lidstaten dit begrip voor andere dan natuurlijke personen.

6. De lidstaten stellen de criteria vast die in aanmerking moeten worden genomen voor de beoordeling van de vakbekwaamheid van het bedrijfshoofd, gelet op zijn opleidingsniveau als landbouwer en/of op een minimumduur aan beroepservaring.

Vorige artikelen

Volgende artikelen