Art. 10 Verordening (EG) nr. 950/97
1. De lidstaten kunnen steun verlenen voor de eerste vestiging van jonge landbouwers van minder dan 40 jaar op voorwaarde dat:
a) de jonge landbouwer zich als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigt; er wordt van uitgegaan dat hij zich als bedrijfshoofd vestigt als hij civielrechtelijk en fiscaal aansprakelijk of medeaansprakelijk wordt voor het beheer van het bedrijf en het in de betrokken lidstaat voor zelfstandige bedrijfshoofden geldende sociale statuut op hem van toepassing wordt;
b) de jonge landbouwer zich als hoofdberoepslandbouwer vestigt of, nadat hij zich als deeltijdlandbouwer heeft gevestigd, de landbouw als hoofdberoep begint te beoefenen. De lidstaten kunnen deze steun evenwel toekennen aan jonge landbouwers die zich als deeltijdlandbouwer vestigen en die ten minste 50 % van hun totale inkomen verkrijgen uit activiteiten op het gebied van landbouw, bosbouw, toerisme, ambachtsnijverheid of door de overheid gesubsidieerde activiteiten voor landschapsinstandhouding, die op hun bedrijf worden verricht, zonder dat het inkomen dat rechtstreeks uit de landbouwactivteit op het bedrijf wordt verkregen, minder dan 25 % van het totale inkomen van het bedrijfshoofd bedraagt en de aan activiteiten buiten het bedrijf bestede tijd meer dan de helft van de totale arbeidstijd van het bedrijfshoofd uitmaakt;
c) de jonge landbouwer bij zijn vestiging of uiterlijk twee jaar na zijn vestiging voldoende vakbekwaam is en
d) er op het bedrijf voor ten minste één VAK werk is, welke situatie uiterlijk twee jaar na vestiging moet zijn bereikt.
2. De vestigingssteun kan omvatten:
a) een eenmalige premie met het voor financiering in aanmerking komend maximumbedrag dat staat in bijlage I. De betaling van de premie kan over maximaal vijf jaar worden gespreid. De lidstaten mogen deze premie door een gelijkwaardige rentesubsidie vervangen;
b) een rentesubsidie voor leningen die worden aangegaan ter financiering van de vestiging.
De rentesubsidie wordt verleend gedurende maximaal vijftien jaar; de gekapitaliseerde waarde van deze subsidie mag niet meer bedragen dan de eenmalige premie.
De lidstaten mogen het bedrag dat, naar gelang van de omvang en de looptijd van de aangegane leningen, met de rentesubsidie overeenkomt, in de vorm van een kapitaalsubsidie uitkeren.
3. De lidstaten bepalen:
a) de voorwaarden inzake de vestiging;
b) de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn als de jonge landbouwer zich niet als enig bedrijfshoofd op het bedrijf vestigt, en met name indien hij zich vestigt als lid van een vereniging of een coöperatie die het beheer van een landbouwbedrijf als belangrijkste doelstelling heeft; deze voorwaarden moeten gelijkwaardig zijn met die welke worden gesteld in geval van vestiging als enig bedrijfshoofd;
c) de agrarische vakbekwaamheid die de betrokkenen bij de vestiging of uiterlijk twee jaar nadien moet hebben bereikt;
d) de voorwaarden op grond waarvan wordt geconstateerd dat er binnen maximaal twee jaar na vestiging voldoende werk op het bedrijf is voor ten minste één VAK.