Art. 11 Verordening (EG) nr. 2201/96
1. Voor alle invoer in of uitvoer uit de Gemeenschap van de in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten kan een in -of uitvoercertificaat verplicht worden gesteld.
Het certificaat wordt, onverminderd de bepalingen voor de toepassing van de artikelen 15, 16, 17 en 18, door de Lid-Staten afgegeven aan elke belanghebbende die daarom verzoekt, ongeacht zijn plaats van vestiging in de Gemeenschap.
Het in- of uitvoercertificaat is geldig in de hele Gemeenschap. De afgifte van deze certificaten kan afhankelijk worden gemaakt van het stellen van een zekerheid, als garantie dat zal worden voldaan aan de verplichting tot in- of uitvoer tijdens de geldigheidsduur van het certificaat; deze zekerheid wordt, behoudens in geval van overmacht, geheel of gedeeltelijk verbeurd wanneer de transactie niet of slechts ten dele binnen deze termijn wordt uitgevoerd.
2. De geldigheidsduur van de in- en uitvoercertificaten en de overige bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 29.