Art. 13 Verordening (EG) nr. 2200/96
1. De telersverenigingen die vóór de inwerkingtreding van de onderhavige verordening reeds zijn erkend op grond van Verordening (EEG) nr. 1035/72 en die op grond van artikel 11 van de onderhavige verordening niet zonder overgangsperiode kunnen worden erkend, komen gedurende twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening in aanmerking voor de bepalingen van titel IV indien zij blijven voldoen aan de in de relevante artikelen van Verordening (EEG) nr. 1035/72 vastgestelde eisen.
2. De in lid 1 bedoelde periode van twee jaar wordt verlengd tot vijf jaar indien de betrokken telersvereniging:
a) op een datum vóór het einde van het in lid 1 bedoelde tijdvak, bij de Lid-Staat die over de erkenning moet beslissen, een actieprogramma indient met het oog op erkenning overeenkomstig artikel 11, lid 2;
b) bij de indiening van het programma aantoont dat zij een actiefonds als bedoeld in artikel 15 heeft opgericht;
c) zich op straffe van door de Lid-Staat te bepalen sancties ertoe verbindt, het actieprogramma voor het verstrijken van de periode van vijf jaar uit te voeren.
3. Een telersvereniging die, om welke reden of op welk tijdstip ook, niet meer aan de in lid 2 vastgestelde eisen voldoet, verliest dit statuut onder de in artikel 12, lid 1, onder b), vastgestelde voorwaarden.
Het bepaalde in de eerste alinea geldt evenwel onverminderd de individuele rechten die de telersvereniging heeft kunnen verwerven op grond van Verordening (EEG) nr. 1035/72.