Art. 23 Richtlijn 96/23/EG
1. Tijdens de periode waarin de dieren zoals voorgeschreven in artikel 17 worden vastgehouden, mogen die dieren van het in het geding zijnd bedrijf slechts onder officieel toezicht het bedrijf van oorsprong verlaten of aan een andere persoon worden overgedragen. Afhankelijk van het soort geïdentificeerde stof(fen) neemt de bevoegde autoriteit de nodige conservatoire maatregelen.
2. Aansluitend op de monsterneming overeenkomstig artikel 17 worden de positief bevonden dieren, wanneer bevestigd wordt dat er sprake is van illegale behandeling, onmiddellijk ter plaatse gedood of, vergezeld van een officieel veterinair certificaat, rechtstreeks naar het aangewezen slachthuis of een destructiebedrijf gebracht om er te worden gedood. De gedode dieren worden vervolgens afgevoerd naar een bedrijf voor de verwerking van hoog-risicomateriaal als bedoeld in Richtlijn 90/667/EEG (21).
Bovendien moeten, op kosten van het bedrijf, van alle partijen dieren die tot het gecontroleerde bedrijf behoren en mogelijk verdacht zijn, een monster genomen worden.
3. Indien echter de helft of meer dan de helft van de monsters die genomen zijn van een representatief percentage, overeenkomstig artikel 17, positief is, heeft de veehouder de keuze tussen een controle op alle dieren van het bedrijf die mogelijk verdacht zijn en het laten doden van de betrokken dieren.
4. Tijdens een volgende periode van ten minste twaalf maanden wordt (worden) het (de) bedrijf (bedrijven) dat (die) aan dezelfde eigenaar toebehoort (toebehoren), aan een verscherpte controle onderworpen met het oog op het opsporen van de betrokken residuen. Indien een georganiseerd systeem van zelfcontrole is ingesteld, vervallen gedurende die periode de voordelen van dit systeem voor de betrokken veehouder.
5. Op de bedrijven of in de inrichtingen die aan het betrokken bedrijf leveren, wordt, rekening houdend met de geconstateerde overtreding, naast de in artikel 11, lid 1, bedoelde controle, een bijkomende controle verricht om de oorsprong van de betrokken stof vast te stellen. Een en ander geldt eveneens voor alle bedrijven en inrichtingen die, wat de levering van dieren en van diervoeders betreft, in verband kunnen worden gebracht met het bedrijf van oorsprong.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 12 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:496
- CBb 19 januari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:4
- CBb 27 augustus 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ6704
- CBb 26 februari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:78
- CBb 24 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:143
- Rb. Rotterdam 1 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7785
- CBb 11 februari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:69
- CBb 2 september 2014, ECLI:NL:CBB:2014:317
- CBb 2 september 2014, ECLI:NL:CBB:2014:316
- CBb 2 september 2014, ECLI:NL:CBB:2014:315
- CBb 20 augustus 2013, ECLI:NL:CBB:2013:123
- Rb. Overijssel 3 januari 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:109
- CBb 25 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:627
- CBb 7 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1049
- CBb 2 september 2014, ECLI:NL:CBB:2014:314
- CBb 31 mei 2013, ECLI:NL:CBB:2013:15
- CBb 7 maart 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AX2054
- CBb 11 januari 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AV0360
- CBb 5 april 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT4971
- CBb 6 januari 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT4502