Art. 9 Verordening (EG) nr. 3283/94
Beëindiging zonder maatregelen; instelling van definitieve rechten 1. Wanneer de klacht wordt ingetrokken, kan de procedure worden beëindigd, tenzij dit strijdig is met het belang van de Gemeenschap.
2. Wanneer, na overleg, blijkt dat beschermende maatregelen overbodig zijn en het raadgevend comité geen bezwaar maakt, wordt het onderzoek of de procedure beëindigd. In alle andere gevallen doet de Commissie de Raad onverwijld een verslag van het overleg toekomen, te zamen met een voorstel tot beëindiging van de procedure. De procedure wordt geacht te zijn beëindigd indien de Raad niet binnen een maand met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een ander besluit neemt.
3. Bij een overeenkomstig artikel 5, lid 9, ingeleide procedure wordt de schade normaliter als te verwaarlozen beschouwd indien de betrokken invoer minder bedraagt dan de in artikel 5, lid 7, aangegeven hoeveelheden. De procedure wordt onmiddellijk beëindigd indien wordt vastgesteld dat de dumpingmarge minder dan 2 % van de exportprijs bedraagt, met dien verstande dat uitsluitend het onderzoek wordt beëindigd wanneer de marge voor individuele exporteurs minder dan 2 % bedraagt, de procedure op deze exporteurs van toepassing blijft en zij bij een latere herziening voor het betrokken land overeenkomstig artikel 11 aan een nieuw onderzoek kunnen worden onderworpen.
4. Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er sprake is van dumping en daaruit voortvloeiende schade en het belang van de Gemeenschap maatregelen in de zin van artikel 21 noodzakelijk maakt, stelt de Raad, met een gewone meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité, een definitief anti-dumpingrecht in. Wanneer voorlopige rechten van toepassing zijn, wordt de Raad ten minste één maand vóór het verstrijken van deze rechten een voorstel voor definitieve maatregelen voorgelegd. Het anti-dumpingrecht mag de vastgestelde dumpingmarge niet overschrijden en dient lager te zijn dan deze marge indien een lager recht toereikend is om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade weg te nemen.
5. In elke zaak wordt op niet discriminerende grondslag een passend anti-dumpingrecht geheven op alle produkten, ongeacht de oorsprong, waarvan is geconstateerd dat zij met dumping worden ingevoerd en dat daardoor schade ontstaat, met uitzondering van de invoer waarvoor krachtens deze verordening verbintenissen werden aanvaard. In de verordening wordt het aan elke leverancier opgelegde recht of, indien dit uit praktisch oogpunt onmogelijk is en, als algemene regel, in de in artikel 2, lid 7, bedoelde gevallen, het land van levering bekendgemaakt.
6. Wanneer de Commissie haar onderzoek overeenkomstig artikel 17 heeft beperkt, mag het anti-dumpingrecht op de invoer door exporteurs of producenten die zich, overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, kenbaar hebben gemaakt maar niet bij het onderzoek werden betrokken, niet hoger zijn dan de gewogen gemiddelde dumpingmarge die voor de in de steekproef opgenomen partijen werd vastgesteld. Voor de toepassing van dit lid houdt de Commissie geen rekening met nihilmarges en minimale marges noch met marges die onder de in artikel 18 bedoelde omstandigheden werden vastgesteld. Die autoriteiten passen individuele rechten of normale waarden toe op de invoer van elke exporteur of producent aan wie de in artikel 17 bedoelde individuele behandeling wordt toegekend.