Art. 13 Verordening (EG) nr. 3283/94
Ontwijking van rechten 1. De overeenkomstig deze verordening ingestelde anti-dumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van soortgelijke produkten, of delen daarvan, uit derde landen wanneer er sprake is van ontwijking van rechten. Ontwijking wordt geacht plaats te vinden wanneer de handelsstromen tussen derde landen en de Gemeenschap wijzigingen ondergaan ten gevolge van een praktijk, een proces of werkzaamheden waarvoor, afgezien van het recht, geen voldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en aangetoond wordt dat de corrigerende werking van het recht wordt ondermijnd, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van soortgelijke produkten, en dat er sprake is van dumping ten aanzien van de voor soortgelijke produkten eerder vastgestelde normale waarden.
2. Assemblage in de Gemeenschap of een derde land wordt geacht ontwijking van de maatregelen in te houden wanneer:
i) de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het anti-dumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, en ii) de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde produkt; ontwijking wordt echter niet geacht plaats te vinden indien de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de produktiekosten bedraagt, en iii) de corrigerende werking van het recht wordt ondermijnd, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het geassembleerde soortgelijke produkt en aangetoond wordt dat er sprake is van dumping ten aanzien van de voor soortgelijke produkten eerder vastgestelde normale waarden.
3. Een onderzoek op grond van dit artikel wordt geopend indien het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevat betreffende de in lid 1 genoemde factoren. Het onderzoek wordt, na raadpleging van het raadgevend comité, geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten tevens de instructie geeft de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, te registreren of zekerheidstelling te eisen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Commissie, die kan worden bijgestaan door de douaneautoriteiten, en wordt binnen negen maanden afgesloten. Wanneer de definitief vastgestelde feiten uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Raad met een gewone meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie het daartoe strekkende besluit, dat geldig is vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 14, lid 5, registratie van de goederen of zekerheidstelling werd geëist. De desbetreffende procedurele bepalingen van deze verordening betreffende de opening en het uitvoeren van een onderzoek zijn van toepassing op dit artikel.
4. De verplichting tot registratie op grond van artikel 14, lid 5, geldt niet voor produkten die vergezeld gaan van een douanecertificaat waarin wordt verklaard dat de betrokken invoer geen ontwijking van rechten inhoudt, noch worden ten aanzien van deze produkten maatregelen genomen. Deze certificaten worden op schriftelijk verzoek door de douaneautoriteiten aan de importeurs afgegeven na goedkeuring bij een besluit van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité dan wel bij het besluit van de Raad tot vaststelling van maatregelen. De certificaten zijn geldig voor de daarin vermelde periode en onder de daarin vermelde voorwaarden.
5. Geen enkele bepaling van dit artikel doet afbreuk aan de normale toepassing van de voorschriften inzake douanerechten.