Art. 7 Verordening (EG) nr. 3283/94
Voorlopige maatregelen 1. Voorlopige maatregelen kunnen worden toegepast indien er een procedure is ingeleid overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, er hierover een bericht is gepubliceerd en belanghebbenden voldoende gelegenheid hebben gehad om inlichtingen te verstrekken en opmerkingen te maken overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, lid 10, er een voorlopige, positieve vaststelling inzake dumping en daaruit voortvloeiende schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap is gedaan en het in het belang van de Gemeenschap is dat maatregelen worden genomen om dergelijke schade te voorkomen. Voorlopige maatregelen worden niet eerder dan 60 dagen en niet later dan negen maanden na de inleiding van de procedure genomen.
2. Het voorlopige anti-dumpingrecht mag niet hoger zijn dan de voorlopig vastgestelde dumpingmarge en dient lager te zijn dan deze marge indien dit lagere recht toereikend is om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade weg te nemen.
3. De voorlopige maatregelen bestaan erin dat een zekerheid wordt verlangd, hetgeen betekent dat bij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van de betrokken produkten zekerheid dient te worden gesteld.
4. De Commissie neemt voorlopige maatregelen na overleg of, in bijzonder dringende omstandigheden, na de Lid-Staten hieromtrent te hebben geïnformeerd. In het laatste geval geschiedt dit overleg uiterlijk tien dagen na de datum waarop de Lid-Staten in kennis zijn gesteld van de door de Commissie genomen maatregelen.
5. Wanneer een Lid-Staat om het onmiddellijke optreden van de Commissie verzoekt en aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, beslist de Commissie binnen ten hoogste vijf werkdagen na de ontvangst van het verzoek of een voorlopig anti-dumpingrecht wordt opgelegd.
6. De Commissie stelt de Raad en de Lid-Staten onverwijld in kennis van elke beslissing die zij neemt uit hoofde van dit artikel. De Raad kan met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een ander besluit nemen.
7. Een voorlopig recht kan voor zes maanden worden opgelegd en vervolgens met drie maanden worden verlengd, dan wel voor negen maanden worden opgelegd. Het recht kan evenwel uitsluitend worden verlengd, of voor een periode van negen maanden opgelegd, indien de exporteurs die een aanzienlijk percentage van de bedrijfstak vertegenwoordigen een daartoe strekkend verzoek indienen of bij kennisgeving door de Commissie geen bezwaar maken.