Art. 10 Verordening (EG) nr. 3283/94

Verordening (EG) nr. 3283/94

Terugwerkende kracht 1. Voorlopige maatregelen en definitieve anti-dumpingrechten worden uitsluitend toegepast op produkten die na de inwerkingtreding van het respectievelijk krachtens artikel 7, lid 1, en artikel 9, lid 4, genomen besluit in het vrije verkeer worden gebracht, behoudens de bij deze verordening vastgestelde uitzonderingen.

2. Wanneer een voorlopig recht werd toegepast en uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er sprake is van dumping en schade, beslist de Raad, ongeacht of al dan niet een definitief anti-dumpingrecht dient te worden ingesteld, welk deel van het voorlopige recht definitief dient te worden ingevorderd. Onder "schade" wordt voor dit doel niet verstaan een aanzienlijke vertraging bij de vestiging van een communautaire bedrijfstak, noch de dreiging van aanzienlijke schade, tenzij wordt vastgesteld dat deze, in afwezigheid van voorlopige maatregelen, tot aanmerkelijke schade zou hebben geleid. In alle andere gevallen waarin een dergelijke dreiging of vertraging zich voordoet, worden alle voorlopig betaalde bedragen vrijgegeven en kunnen definitieve rechten uitsluitend worden opgelegd vanaf de datum waarop de dreiging van schade of de aanzienlijke vertraging definitief wordt vastgesteld.

3. Is het definitieve anti-dumpingrecht hoger dan het voorlopige recht, dan wordt het verschil niet geïnd. Is het definitieve recht lager dan het voorlopige recht, dan wordt het recht opnieuw berekend. Is de definitieve vaststelling negatief, dan wordt het voorlopige recht niet bevestigd.

4. Een definitief anti-dumpingrecht kan worden geheven op produkten die ten hoogste 90 dagen vóór de datum van inwerkingtreding van de voorlopige maatregelen, maar niet vóór de datum waarop het onderzoek werd geopend, ten verbruike zijn aangegeven, op voorwaarde dat de invoer, overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, lid 5, werd geregistreerd, de Commissie de betrokken importeurs de gelegenheid heeft gegeven opmerkingen te maken en dat:

i) voor het betrokken produkt in het verleden over een langere periode dumping werd geconstateerd of de importeur ervan op de hoogte was of had moeten zijn dat invoer met dumping plaatsvond en hij kennis droeg van de omvang van deze invoer en de beweerde of vastgestelde schade, en ii) naast de invoer die in het onderzoektijdvak schade veroorzaakte, er een aanzienlijke toename is geconstateerd van invoer die, gezien het tijdstip waarop en de omvang waarin hij plaatsvindt en andere omstandigheden, het corrigerende effect van het toe te passen definitieve anti-dumpingrecht ernstig dreigt te ondermijnen.

5. In geval van schending of intrekking van verbintenissen kunnen overeenkomstig deze verordening definitieve rechten worden geheven op goederen die ten hoogste 90 dagen vóór de inwerkingtreding van voorlopige maatregelen in het vrije verkeer worden gebracht, op voorwaarde dat de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, werd geregistreerd en deze terugwerking niet wordt toegepast ten aanzien van produkten die vóór de schending of de intrekking van de verbintenis werden ingevoerd.

Vorige artikelen

Volgende artikelen