Art. 8

1. De limieten bedoeld in artikel 7, leden 1, 3 en 4, gelden voor de totale deposito's bij een zelfde kredietinstelling, ongeacht het aantal deposito's, de valuta en de plaats waar zij zich in de Gemeenschap bevinden.

2. Het aandeel van elke deposant in een gemeenschappelijke rekening wordt in aanmerking genomen bij de berekening van de limieten van artikel 7, leden 1, 3 en 4.

Bij ontstentenis van bijzondere bepalingen wordt de rekening gelijkelijk over de deposanten verdeeld.

De Lid-Staten mogen bepalen dat deposito's op een rekening waarop twee of meer personen als leden van een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkende "partnership", vereniging of andere soortgelijke groepering aanspraak kunnen maken, voor de berekening van de limieten bedoeld in artikel 7, leden 1, 3 en 4, mogen worden samengevoegd en als een door één deposant verricht deposito behandeld.

3. Wanneer de deposant niet de rechthebbende is van de bedragen op de rekening, wordt de rechthebbende door de garantie gedekt, mits de identiteit van die persoon is of kan worden vastgesteld vóór de datum waarop de bevoegde autoriteiten tot de in artikel 1, punt 3, onder i), bedoelde vaststelling overgaan, of de rechterlijke instantie de uitspraak als bedoeld in artikel 1, punt 3, onder ii), doet. Is er meer dan één rechthebbende, dan wordt het aandeel van elk van hen uit hoofde van de regeling krachtens welke de middelen worden beheerd, in aanmerking genomen bij de berekening van de limieten van artikel 7, leden 1, 3 en 4.

Deze bepaling geldt niet voor instellingen voor collectieve belegging.

Uitspraken die dit artikel aanhalen