Art. 7
1. De depositogarantiestelsels voorzien erin dat het totaal van de deposito's van een zelfde deposant wordt gedekt tot een bedrag van 20 000 ecu wanneer de deposito's niet-beschikbaar zijn.
Tot en met 31 december 1999 mogen de Lid-Staten waar op het tijdstip van aanneming van deze richtlijn de deposito's niet tot een bedrag van 20 000 ecu worden gedekt, het in hun garantiestelsels geldende maximumbedrag handhaven, zonder dat dit bedrag evenwel lager mag zijn dan 15 000 ecu.
2. De Lid-Staten mogen voorschrijven dat voor bepaalde deposanten of bepaalde deposito's geen garantie, dan wel een lager garantiebedrag geldt. De lijst van uitsluitingen is in bijlage I opgenomen.
3. Dit artikel belet niet dat bepalingen worden gehandhaafd of vastgesteld die een hogere of een ruimere dekking van deposito's behelzen. Meer bepaald mogen depositogarantiestelsels voor bepaalde categorieën deposito's volledige dekking bieden op grond van sociale overwegingen.
4. Een Lid-Staat mag de in lid 1 genoemde of de in lid 3 bedoelde garantie beperken tot een bepaald percentage van de deposito's. Het gegarandeerde percentage moet evenwel ten minste 90 % bedragen van het totale deposito tot dat het uit hoofde van de garantie te betalen bedrag het in lid 1 genoemde bedrag bereikt.
5. Het in lid 1 vermelde bedrag wordt regelmatig en ten minste om de vijf jaar door de Commissie getoetst. In voorkomend geval dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in voor een richtlijn tot aanpassing van het in lid 1 genoemde bedrag, rekening houdende met name met de ontwikkeling van de sector banken en met de economische en monetaire situatie in de Gemeenschap. De eerste toetsing geschiedt niet eerder dan vijf jaar na de datum genoemd in lid 1, tweede alinea.
6. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat deposanten hun recht op schadeloosstelling middels een vordering tegen het depositogarantiestelsel kunnen doen gelden.