Art. 4 Richtlijn 94/19/EG

Richtlijn 94/19/EG

1. De overeenkomstig artikel 3, lid 1, in een Lid-Staat ingevoerde en officieel erkende depositogarantiestelsels dekken de deposanten bij door kredietinstellingen in andere Lid-Staten opgerichte bijkantoren.

Noch het bedrag, noch de reikwijdte, met inbegrip van het percentage, van de verleende dekking mag tot en met 31 december 1999 het maximumbedrag en de reikwijdte overtreffen van de dekking die door het overeenkomstige garantiestelsel op het grondgebied van de Lid-Staat van ontvangst wordt geboden.

Vóór die datum stelt de Commissie een verslag op over de ervaring die met de toepassing van de tweede alinea is opgedaan, en beraadt zij zich op de noodzaak van verlenging van deze regeling. In voorkomend geval dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel voor een richtlijn houdende verlenging in.

2. Indien het bedrag en/of de reikwijdte, met inbegrip van het percentage, van de door het (de) depositogarantiestelsel(s) van de Lid-Staat van ontvangst geboden dekking het bedrag en/of de reikwijdte overtreffen van de dekking die wordt verleend in de Lid-Staat waar aan de kredietinstelling vergunning is verleend, draagt de Lid-Staat van ontvangst er zorg voor dat er op zijn grondgebied een officieel erkend depositogarantiestelsel is waaraan door een bijkantoor vrijwillig kan worden deelgenomen, ter aanvulling van de garantie die de deposanten ervan reeds genieten op grond van de deelneming aan het stelsel van de Lid-Staat van herkomst.

Het stelsel waaraan het bijkantoor moet deelnemen, dekt de categorie van instellingen waartoe het behoort of die daarmee het meest overeenstemt in de Lid-Staat van ontvangst.

3. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat objectieve en algemeen toegepaste voorwaarden worden vastgesteld voor de deelneming door bijkantoren aan een stelsel in een Lid-Staat van ontvangst overeenkomstig lid 2. Voorwaarde voor deelneming is dat voldaan wordt aan de relevante verplichtingen, met inbegrip van met name de betaling van bijdragen en andere lasten. Bij de tenuitvoerlegging van dit lid volgen de Lid-Staten de in bijlage II opgenomen richtsnoeren.

4. Indien een uit hoofde van lid 2 vrijwillig deelnemend bijkantoor niet voldoet aan zijn verplichtingen als deelnemer aan het depositogarantiestelsel, worden de bevoegde autoriteiten die de vergunning hebben verleend, daarvan in kennis gesteld en nemen deze, in samenwerking met het garantiestelsel, alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de bovenbedoelde verplichtingen worden nagekomen.

Indien het bijkantoor in weerwil van de getroffen maatregelen aan deze verplichtingen blijft verzaken, mag het depositogarantiestelsel, na een passende opzeggingstermijn van ten minste twaalf maanden, met de toestemming van de bevoegde autoriteiten die de vergunning hebben verleend, het bijkantoor van deelneming uitsluiten. Deposito's die vóór het tijdstip van uitsluiting zijn verricht, vallen tot de datum waarop zij verschuldigd worden, onder de dekking van het depositogarantiestelsel waaraan vrijwillig wordt deelgenomen. De deposanten worden in kennis gesteld van de intrekking van de aanvullende dekking.

5. De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 1999 verslag uit over de werking van de leden 2, 3 en 4 en stelt in voorkomend geval wijzigingen daarin voor.