Art. 846 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. In afwijking van artikel 186 van het Wetboek komen terugkerende goederen voor vrijstelling van rechten bij invoer in aanmerking wanneer zij zich in een van de volgende situaties bevinden:
a) goederen die na uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap slechts behandelingen hebben ondergaan die noodzakelijk waren om ze in goede staat te bewaren of die uitsluitend hun presentatie wijzigen;
b) goederen waarvan na uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap is gebleken dat zij gebreken vertonen of ongeschikt zijn voor het beoogde gebruik, ook al hebben zij andere behandelingen ondergaan dan die welke nodig waren om ze in goede staat te bewaren of die hun presentatie wijzigen, mits is voldaan aan een van de volgende voorwaarden:
- de goederen hebben de genoemde behandelingen uitsluitend met het oog op hun herstelling of revisie ondergaan, of
- hun ongeschiktheid voor het beoogde gebruik is pas gebleken nadat met genoemde behandelingen een aanvang was gemaakt.
2. Indien de behandelingen die de terugkerende goederen overeenkomstig lid 1, onder b), mogelijkerwijze hebben ondergaan aanleiding zouden hebben gegeven tot de heffing van rechten bij invoer als de goederen onder de regeling "passieve veredeling" zouden zijn geplaatst, gelden de regels met betrekking tot de heffing welke in het kader van genoemde regeling van toepassing zijn.
Indien evenwel de behandeling die goederen hebben ondergaan bestaat uit een herstelling of een revisie die noodzakelijk was ten gevolge van een onvoorziene gebeurtenis buiten het douanegebied van de Gemeenschap die ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond, dan wordt, mits de waarde van de terugkerende goederen door deze behandeling niet hoger is geworden dan de waarde op het ogenblik van hun uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap, vrijstelling van de rechten bij invoer toegekend.
3. Voor de toepassing van lid 2, tweede alinea,
a) wordt onder "noodzakelijke herstelling of revisie" verstaan elke handeling die ten doel heeft een gebrekkige werking te verhelpen of materiële schade te herstellen welke gedurende het verblijf van de goederen buiten het douanegebied van de Gemeenschap is ontstaan en zonder welke deze goederen onder normale omstandigheden niet meer kunnen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij bestemd zijn;
b) wordt aangenomen dat de waarde van de terugkerende goederen, als gevolg van de behandeling die zij hebben ondergaan, niet groter is dan die welke zij op het tijdstip van hun uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap hadden, wanneer deze behandeling beperkt is gebleven tot hetgeen strikt noodzakelijk was ten einde de goederen onder dezelfde omstandigheden te kunnen gebruiken als op het tijdstip van uitvoer.
Wanneer de herstelling of revisie van de goederen het gebruik van vervangingsonderdelen noodzakelijk maakt, dient dit te worden beperkt tot de onderdelen welke strikt noodzakelijk zijn ten einde de goederen weer onder dezelfde omstandigheden te kunnen gebruiken als op het tijdstip van uitvoer.