Art. 695 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. Dit artikel kan worden toegepast wanneer het voorgenomen gebruik in één enkele Lid-Staat zal plaatsvinden; het wordt toegepast wanneer het gebruik in verscheidene Lid-Staten plaatsvindt en niet wordt verzocht om toepassing van artikel 142, lid 1, van het Wetboek en de artikelen 688 en 689.

2. Wanneer de in artikel 76 van het Wetboek bedoelde vereenvoudigde procedures voor de plaatsing onder de regeling niet worden toegepast, staat het douanekantoor dat door de douaneautoriteiten is aangewezen om vergunningen met gebruikmaking van de vereenvoudigde procedure te verlenen, toe dat de aangifte tot plaatsing onder de regeling tegelijkertijd de aanvraag voor de vergunning vormt.

In dit geval komt de vergunning tot stand door de aanvaarding van deze aangifte, welke aanvaarding is onderworpen aan dezelfde voorwaarden als het verlenen van een vergunning, daarbij inbegrepen de aanwijzing van het controlekantoor, dat wordt vermeld in vak 44 van het formulier.

3. Bij de overeenkomstig lid 2 ingediende aangifte dient een door de aangever opgesteld document te worden gevoegd waarin de hierna volgende gegevens voorkomen, indien deze noodzakelijk zijn en zij niet kunnen worden aangebracht in vak 44 van de in lid 2 bedoelde aangiften:

a) de naam of handelsnaam en het adres van de aanvrager van de regeling, wanneer deze niet tevens aangever is, en, in voorkomend geval, van de eigenaar van de goederen;

b) de naam of handelsnaam en het adres van de gebruiker van de goederen, wanneer deze niet tevens aanvrager of aangever is;

c) het artikel op grond waarvan toepassing van de regeling wordt gevraagd;

d) de periode waarvoor de goederen naar verwachting onder de regeling worden geplaatst;

e) de plaats waar de goederen zullen worden gebruikt;

f) of gebruik wordt gemaakt van de in de artikelen 713 en 714 bedoelde procedures.

Artikel 498 is van overeenkomstige toepassing.

4. Artikel 502 is van overeenkomstige toepassing.