Art. 699 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Behalve wanneer de artikelen 695 tot en met 697 worden toegepast, wordt de aangifte tot plaatsing van goederen onder de regeling tijdelijke invoer ingediend bij een van de in de vergunning vermelde kantoren van plaatsing.
2. Bij toepassing van de artikelen 695 en 696 wordt de in artikel 701 bedoelde aangifte of de lijst ingediend bij een van de aangewezen douanekantoren.
3. Bij toepassing van artikel 697 wordt het carnet ATA met het oog op de plaatsing van goederen onder de regeling tijdelijke invoer bij een van de volgende douanekantoren overgelegd:
a) bij een kantoor van plaatsing met territoriale bevoegdheid voor de plaats waar de goederen zullen worden gebruikt, voor goederen bedoeld onder de punten 2 tot en met 9, 11 en 20 van bijlage 95;
b) bij een kantoor van binnenkomst dat is aangewezen als kantoor van plaatsing, in alle andere gevallen. In dit geval treedt het kantoor van binnenkomst als kantoor van plaatsing op.
Wanneer het kantoor van binnenkomst dat is aangewezen als kantoor van plaatsing in uitzonderlijke gevallen niet in staat is na te gaan of aan alle voorwaarden voor het gebruik van de regeling tijdelijke invoer is voldaan, staat dit kantoor toe dat de goederen vergezeld van het carnet ATA dat als vervoerdocument dienst doet, van het aangewezen kantoor van binnenkomst naar het kantoor van bestemming, waar kan worden nagegaan of aan deze voorwaarden is voldaan, worden vervoerd.
4. De douaneautoriteiten van de Lid-Staten wijzen hun douanekantoren aan als kantoor van plaatsing of als kantoor van binnenkomst dat als kantoor van plaatsing dienst doet.