Art. 561 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Bij voorafgaande uitvoer wordt de in artikel 118, lid 3, van het Wetboek bedoelde termijn vastgesteld door de douaneautoriteiten, rekening houdend met de tijd die nodig is voor de aanschaf van de invoergoederen en het vervoer ervan naar de Gemeenschap.
2. De in lid 1 bedoelde termijn mag niet langer zijn dan:
- drie maanden voor goederen die onder een marktordening vallen;
- de geldigheidsduur van het invoercertificaat dat overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2630/81 van de Commissie (21) is afgegeven voor ruwe suiker van onderverdeling 1701 11 of 1701 12 van de gecombineerde nomenclatuur;
(21) PB nr. L 258 van 11. 9. 1981, blz. 16.
- zes maanden voor alle andere goederen. Deze termijn kan echter op een met redenen omkleed verzoek van de vergunninghouder worden verlengd, waarbij de totale duur evenwel niet meer dan twaalf maanden mag bedragen. Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de termijn zelfs na het verstrijken van de oorspronkelijk toegestane termijn worden verlengd.