Art. 237 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. De hierna genoemde postzendingen worden geacht bij de douane te zijn aangegeven:
A. voor het vrije verkeer:
a) op het tijdstip waarop zij in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht:
- briefkaarten en brieven die uitsluitend persoonlijke boodschappen bevatten,
- braillestukken,
- van invoerrechten vrijgesteld drukwerk, en
- alle andere briefpostzendingen en pakketpostzendingen die niet bij de douane behoeven te worden aangebracht overeenkomstig de bepalingen die met toepassing van artikel 38, lid 4, van het Wetboek zijn vastgesteld;
b) op het tijdstip waarop zij bij de douane worden aangebracht: briefpostzendingen en pakketpostzendingen andere dan die bedoeld onder a), mits zij vergezeld gaan van de aangiften C 1 en/of C 2/CP 3;
B. ten uitvoer:
a) op het tijdstip waarop de posterijen de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de briefpostzendingen en pakketpostzendingen welke niet aan rechten bij uitvoer zijn onderworpen;
b) op het tijdstip waarop zij bij de douane worden aangebracht, de briefpostzendingen en pakketpostzendingen welke aan rechten bij uitvoer zijn onderworpen, mits zij vergezeld gaan van de aangiften C 2 en/of C 2/CP 3.
2. In de in lid 1, punt A, bedoelde gevallen wordt de geadresseerde en in de in lid 1, punt B, bedoelde gevallen wordt de afzender geacht aangever en, in voorkomend geval, schuldenaar te zijn. De douaneautoriteiten kunnen bepalen dat de posterijen worden aangemerkt als aangever en, in voorkomend geval, als schuldenaar.
3. Voor de toepassing van lid 1 worden niet aan rechten onderworpen goederen die geacht worden bij de douane te zijn aangebracht in de zin van artikel 63 van het Wetboek en wordt de douaneaangifte geacht te zijn aanvaard en de vrijgave te zijn verleend:
a) bij invoer, op het tijdstip waarop de goederen aan de geadresseerde ter beschikking worden gesteld;
b) bij uitvoer, op het tijdstip waarop de posterijen de verantwoordelijkheid voor de goederen op zich nemen.
4. Wanneer een briefpostzending of pakketpostzending waarvoor geen ontheffing is verleend van de verplichting tot het aanbrengen bij de douane overeenkomstig de bepalingen die met toepassing van artikel 38, lid 4, van het Wetboek zijn vastgesteld, zonder aangiften C 1 en/of C 2/CP 3 wordt aangeboden of wanneer de genoemde aangifte onvolledig is, stellen de douaneautoriteiten de vorm vast waarin de douaneaangifte dient te worden gedaan of aangevuld.