Art. 3 Verordening (EEG) nr. 2309/93

Verordening (EEG) nr. 2309/93

1. Een in deel A van de bijlage bedoeld geneesmiddel mag in de Gemeenschap slechts in de handel worden gebracht indien de Gemeenschap daarvoor overeenkomstig deze verordening een vergunning voor het in de handel brengen heeft afgegeven.

2. De persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een in deel B van de bijlage bedoeld geneesmiddel kan verzoeken dat hem door de Gemeenschap overeenkomstig deze verordening een vergunning voor het in de handel brengen van dit geneesmiddel wordt afgegeven.

3. Vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden, na raadpleging van het Comité voor farmaceutische specialiteiten, de delen A en B van de bijlage wat geneesmiddelen voor menselijk gebruik betreft opnieuw bezien in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang, ten einde daarin de eventueel noodzakelijke wijzigingen aan te brengen, die overeenkomstig de procedure van artikel 72 worden aangenomen.

4. Vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden, na raadpleging van het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, de delen A en B van de bijlage wat diergeneesmiddelen betreft opnieuw bezien in het licht van de technische en de wetenschappelijke vooruitgang, ten einde daarin de eventueel noodzakelijke wijzigingen aan te brengen, die overeenkomstig de procedure van artikel 72 worden aangenomen.

5. De procedures van de leden 3 en 4 blijven van toepassing na de inwerkingtreding van deze verordening.

Uitspraken die dit artikel aanhalen