Art. 5 Verordening (EEG) nr. 536/93

Verordening (EEG) nr. 536/93

1. De Lid-Staten bepalen in voorkomend geval de in artikel 2, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoelde prioritaire categorieën van producenten op grond van een of meer van de volgende objectieve criteria in volgorde van prioriteit:

a) de formele erkenning door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat dat de heffing, geheel of gedeeltelijk, ten onrechte is geheven;

b) de geografische ligging van het bedrijf, in de eerste plaats in berggebieden als bedoeld in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad (3);

c) de maximale veedichtheid van het bedrijf, waaruit de extensivering van de dierlijke produktie blijkt;

d) de omvag van de overschrijding van de individuele referentiehoeveelheid;

e) het volume van de referentiehoeveelheid waarover de producent beschikt.

Indien bij toepassing van de voornoemde criteria de financiële middelen voor een gegeven periode niet volledig worden besteed, worden in overleg met de Commissie andere door de Lid-Staten bepaalde objectieve criteria vastgesteld.

2. De Lid-Staten treffen de aanvullende maatregelen opdat de verschuldigde heffing binnen de voorgeschreven termijn aan de Gemeenschap wordt betaald.

Indien uit het in artikel 3, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 2776/88 van de Commissie (4) bedoelde dossier dat de Lid-Staten maandelijks bij de Commissie indienen, blijkt dat deze termijn niet in acht wordt genomen, verlaagt de Commissie de voorschotten op afrekening van de landbouwuitgaven naar rata van het verschuldigde bedrag of van een raming van dat bedrag.

De op grond van artikel 3, lid 4, en artikel 4, lid 4, betaalde rente wordt op de uitgaven voor de zuivelsector in mindering gebracht.