Art. 2 Verordening (EEG) nr. 536/93
1. De kenmerken van de melk, waaronder het vetgehalte, die als representatief in de zin van artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 worden beschouwd, zijn die welke bij de op 31 maart 1993 beschikbare individuele referentiehoeveelheid behoren.
Bij wijziging van de individuele referentiehoeveelheid gelden de volgende bepalingen:
a) het representatieve vetgehalte van de melk blijft ongewijzigd in geval van toewijzing van extra referentiehoeveelheden uit de nationale reserve of in geval van verhoging van de referentiehoeveelheid op grond van artikel 4, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3950/92;
b) wanneer op grond van artikel 4, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3950/92 de referentiehoeveelheid voor leveranties wordt bepaald door omzetting van de referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop, wordt het representatieve vetgehalte voor de referentiehoeveelheid voor leveranties op 3,8 % vastgesteld;
c) bij toepassing van de artikelen 6 en 7 en van artikel 8, derde, vierde en vijfde streepje, van Verordening (EEG) nr. 3950/92 wordt het representatieve vetgehalte overgedragen met de referentiehoeveelheid waarvoor zij geldt.
In die gevallen is het resulterende representatieve vetgehalte gelijk aan het gemiddelde van het oorspronkelijke en het overgedragen representatieve vetgehalte, gewogen aan de hand van de oorspronkelijke en de overgedragen referentiehoeveelheid;
d) voor producenten die over een volledig uit de nationale reserve afkomstige referentiehoeveelheid beschikken en die na 1 april 1992 met hun activiteit zijn begonnen, geldt als representatief vetgehalte van de melk het gemiddelde vetgehalte van de melk die tijdens de eerste twaalf maanden van hun activiteit wordt geleverd. Het representatieve vetgehalte mag echter niet hoger zijn dan het nationale gemiddelde vetgehalte van de in de Lid-Staat in de referentieperiode van twaalf maanden verzamelde melk, tenzij de producent elk jaar bewijst dat hij in zijn veebeslag melkrassen houdt waarvoor het aanhouden van een hoger vetgehalte gerechtvaardigd is, daar anders het representatieve vetgehalte op het nationale gemiddelde gehalte van de in de Lid-Staat in de referentieperiode van twaalf maanden verzamelde melk wordt vastgesteld.
2. Om de in artikel 3 bedoelde eindafrekening van de heffing op te stellen, wordt voor elke producent het gemiddelde vetgehalte van de door hem geleverde melk en/of melkequivalenten vergeleken met het representatieve vetgehalte waarover hij beschikt:
- indien een positief verschil wordt geconstateerd, wordt de geleverde hoeveelheid melk of melkequivalent verhoogd met 0,18 % voor elke 0,1 gram melkvet meer per kilogram melk;
- indien een negatief verschil wordt geconstateerd, wordt de geleverde hoeveelheid melk of melkequivalent verminderd met 0,18 % voor elke 0,1 gram melkvet minder per kilogram melk.
Indien de geleverde hoeveelheid melk in liters wordt uitgedrukt, wordt op de aanpassing van 0,18 % per 0,1 gram melkvet de coëfficiënt 0,971 toegepast.
3. Indien de totale leveranties in een Lid-Staat groter zijn dan de overeenkomstig lid 2 gecorrigeerde hoeveelheid, is de heffing verschuldigd over het verschil tussen de totale leveranties en de totale gegarandeerde hoeveelheid voor leveranties waarover de Lid-Staat beschikt.