Art. 20 Richtlijn 93/36/EEG
1. Van deelneming aan een opdracht kan worden uitgesloten iedere leverancier:
a) die in staat van faillissement, vereffening, akkoord of surséance van betaling verkeert, dan wel zijn werkzaamheden heeft gestaakt of in een andere soortgelijke toestand verkeert ingevolge een gelijkaardige nationaalrechtelijke procedure;
b) wiens faillissement is aangevraagd, of tegen wie een procedure van vereffening of akkoord of surséance van betaling dan wel een andere soortgelijke nationaalrechtelijke procedure aanhangig is gemaakt;
c) die, bij een rechterlijke beslissing die kracht van gewijsde heeft, veroordeeld is geweest voor een delict dat zijn beroepsmoraliteit in het gedrang brengt;
d) die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de aanbestedende diensten aannemelijk kunnen maken;
e) die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van de sociale-verzekeringsbijdragen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is of van het land van de aanbestedende dienst;
f) die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van zijn belastingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is of van het land van de aanbestedende dienst;
g) die zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de inlichtingen die overeenkomstig dit hoofdstuk kunnen worden verlangd.
2. Indien de aanbestedende dienst van de leverancier het bewijs verlangt dat hij niet in een van de in lid 1, onder a), b), c), e) en f), genoemde omstandigheden verkeert, aanvaardt deze dienst als voldoende bewijs:
- voor de punten a), b) en c), een uittreksel uit zijn strafregister of, bij ontbreken daarvan, een gelijkwaardig document, afgegeven door een bevoegde gerechtelijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong of van herkomst, waaruit blijkt dat aan de betrokken eisen is voldaan;
- voor de punten e) en f), een door een bevoegde instantie van de betrokken Lid-Staat afgegeven getuigschrift.
3. Indien geen in lid 2 bedoeld document of getuigschrift door het betrokken land wordt afgegeven, of daarin niet alle gevallen voorzien in lid 1, onder a), b) en c), worden vermeld, kan dit worden vervangen door een verklaring onder ede - of, in de Lid-Staten waar niet in een eed is voorzien, door een plechtige verklaring - die door betrokkene is afgelegd ten overstaan van een bevoegde gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.
4. De Lid-Staten wijzen de instanties en organisaties aan die voor de afgifte van de in de leden 2 en 3 bedoelde documenten en getuigschriften bevoegd zijn en stellen de overige Lid-Staten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis.