Art. 6

1. De Lid-Staten staan elk jaar vóór een door hen vast te stellen datum en ten laatste op 31 december, de tijdelijke overdracht toe, voor de duur van het betrokken tijdvak van twaalf maanden, van de individuele referentiehoeveelheid die de producent die erover beschikt, niet voornemens is te gebruiken. De in artikel 4, lid 3, bedoelde referentiehoeveelheden komen evenwel tot en met 31 maart 1995 niet voor een dergelijke tijdelijke overdracht in aanmerking.

De Lid-Staten kunnen de overdrachten reglementeren naar gelang van de categorie producenten of de structuur van de melkproduktie, ze beperken op het niveau van de koper of binnen de regio en bepalen in hoeverre de cedent overdrachten kan herhalen.

2. Elke Lid-Staat kan besluiten lid 1 niet toe te passen op grond van één van of van beide onderstaande criteria:

- de noodzaak structurele ontwikkelingen en aanpassingen te vergemakkelijken,

- dringende redenen van administratieve aard.

Uitspraken die dit artikel aanhalen