Art. 6
1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.
2. De in artikel 8, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde administratieve controle omvat met name kruiscontroles betreffende de aangegeven percelen en dieren om elke onrechtmatige dubbele toekenning van steun voor hetzelfde kalenderjaar te voorkomen.
3. De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste:
- 10 % van de steunaanvragen "dieren" of van de deelnemingsverklaringen,
- 5 % van de steunaanvragen "oppervlakten", welk percentage evenwel slechts 3 % is voor de steunaanvragen "oppervlakten" boven het aantal van 700 000 per Lid-Staat en per kalenderjaar.
Indien bij bezoeken ter plaatse belangrijke onregelmatigheden in een regio of deelregio worden geconstateerd, nemen de bevoegde instanties de volgende maatregelen voor deze regio of deelregio: in het lopende jaar verrichten zij extra controles en zij verhogen het in het volgende jaar te controleren percentage aanvragen.
4. De aanvragen waarvoor controles ter plaatse worden verricht, worden door de bevoegde instantie met name aan de hand van een risicoanalyse en van een element inzake hun representativiteit voor de ingediende steunaanvragen bepaald. Bij de risicoanalyse wordt rekening gehouden met:
- de steunbedragen;
- het aantal percelen, de oppervlakte of het aantal dieren waarvoor de steun wordt aangevraagd;
- de ontwikkeling ten opzichte van het voorgaande jaar;
- de constateringen bij controles in de voorgaande jaren;
- andere door de Lid-Staten te bepalen omstandigheden.
5. De controles ter plaatse worden onverwacht uitgevoerd en hebben betrekking op alle percelen landbouwgrond of alle dieren waarvoor een of meer aanvragen zijn ingediend. Een dergelijke controle mag echter worden aangekondigd, doch slechts zo lang van tevoren als strikt noodzakelijk is en, ten algemene titel, niet meer dan 48 uren vooraf.
Van het minimumaantal controles op dieren moet ten minste 50 % worden verricht gedurende de periode waarin deze dieren moeten worden aangehouden. Controles buiten deze periode zijn slechts toegestaan indien het in artikel 4 van Richtlijn 92/102/EEG van de Raad (7) bedoelde register beschikbaar is.
6. In geval van toepassing van de speciale premie bij het slachten of bij het voor het eerst op de markt brengen voor de slacht overeenkomstig de bepalingen voorzien in de Commissieverordening welke de toepassingsmaatregelen voorziet voor de regimes van de artikelen 4a tot en met 4k van Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad (8) omvat elke controle ter plaatse in afwijking van de tweede alinea van het voorgaande lid met name:
- een controle aan de hand van het door de producent bijgehouden particuliere register om na te gaan of alle dieren waarop de tot de datum van de controle ter plaatse ingediende aanvragen betrekking hebben, gedurende de gehele voorgeschreven periode zijn aangehouden, en
- een controle om na te gaan of alle op het bedrijf aanwezige mannelijke dieren van meer dan 30 dagen oud naar behoren zijn geïdentificeerd en in het genoemde particuliere register zijn ingeschreven.
7. De oppervlakte van de percelen landbouwgrond wordt bepaald met behulp van ieder door de bevoegde instantie omschreven geschikt middel dat een meetnauwkeurigheid garandeert die ten minste overeenkomt met die welke volgens de nationale bepalingen voor officiële metingen is vereist. Deze instantie stelt een tolerantiemarge vast met inachtneming van met name de gebruikte meettechniek, de nauwkeurigheid van de beschikbare officiële documenten, de plaatselijke situatie (zoals een helling of de vorm van de percelen) en het bepaalde in de volgende alinea.
De totale oppervlakte van een perceel landbouwgrond kan in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat er volgens de gebruikelijke normen van de betrokken Lid-Staat of regio sprake is van een volledig gebruikt perceel. Is dit niet het geval, dan wordt de werkelijk gebruikte oppervlakte in aanmerking genomen.
8. Of de percelen landbouwgrond voor een regeling in aanmerking komen, wordt nagegaan met behulp van ieder geschikt middel. Indien nodig worden daartoe aanvullende bewijzen verlangd.
9. Elk dier waarvoor een aanvraag om een compenserende vergoeding voorzien bij Verordening (EEG) nr. 2328/91 is ingediend, moet door de landbouwer worden aangehouden gedurende een periode van minimum twee maanden te rekenen vanaf de dag na die waarop de aanvraag is ingediend.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 9 mei 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BD2412
- CBb 20 september 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BB4249
- CBb 23 april 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA4736
- CBb 1 december 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AZ4731
- CBb 15 november 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AZ3625
- CBb 19 september 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AY9793
- CBb 19 september 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AY9791
- CBb 19 september 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AY9789
- CBb 5 juli 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AY6704
- CBb 7 juli 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AY4161
- CBb 31 mei 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AX8377
- CBb 26 april 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AX0094
- CBb 26 april 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AW9970
- CBb 17 maart 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AV6839
- CBb 17 maart 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AV6789
- CBb 13 januari 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AV1021
- CBb 13 januari 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AV1014
- CBb 6 januari 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AV0519
- CBb 13 januari 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AV0517
- CBb 13 januari 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AV0516