Art. 4
1. Onverminderd de eisen die in de sectoriële verordeningen worden gesteld, moet een steunaanvraag "oppervlakten" alle nodige gegevens bevatten, en met name:
- de identificatie van het bedrijfshoofd,
- de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, hun ligging, het gebruik ervan, eventueel het feit dat het om een geïrrigeerd perceel gaat, en de betrokken steunregeling,
- een verklaring van de producent dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden voor toekenning van de betrokken steun.
Onder "gebruik" wordt verstaan het gewas- of vegetatietype of het ontbreken van een gewas.
De Lid-Staat kan verlangen dat niet onder het geïntegreerd systeem vallend gebruik wordt aangegeven in een rubriek "ander gebruik" van de steunaanvraag "oppervlakten".
2. a) De steunaanvraag "oppervlakten" mag na de uiterste datum voor de indiening ervan nog slechts worden gewijzigd
- in geval van een duidelijke fout die door de bevoegde instantie is erkend;
- wat de percelen landbouwgrond betreft, in bijzondere gevallen die naar behoren zijn gemotiveerd (zoals met name een overlijden, een huwelijk, aan- of verkoop of de sluiting van een pachtovereenkomst). De Lid-Staten stellen de desbetreffende voorwaarden vast. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die zijn aangegeven voor een braaklegging of voor het voederareaal tenzij in voldoende gemotiveerde gevallen conform de betrokken bepalingen op voorwaarde dat de percelen reeds als braaklegging of voederareaal waren opgenomen in een steunaanvraag van een bedrijfshoofd; deze laatste steunaanvraag wordt dan overeenkomstig gecorrigeerd;
- in de andere gevallen voorzien in de sectorverordeningen.
b) Met betrekking tot het gebruik of de betrokken steunregeling kunnen in alle gevallen wijzigingen worden aangebracht. Het is evenwel niet mogelijk een perceel toe te voegen aan de percelen die zijn aangegeven voor een braaklegging.
c) Voor een perceel dat wordt gebruikt met het oog op een niet onder het geïntegreerde systeem vallende teelt waarvoor het bedrijfshoofd tot vervanging door een onder het geïntegreerde systeem vallende teelt besluit tijdens de periode waarin wijzigingen kunnen worden ingediend, kan in deze periode nog een steunaanvraag "oppervlakten" worden ingediend.
3. Voor de gevallen waarin een steunaanvraag "oppervlakten" uitsluitend betrekking heeft op blijvend grasland, kan de Lid-Staat bepalen dat deze aanvraag kan worden ingediend tegelijk met de eerste steunaanvraag "dieren" van het betrokken bedrijfshoofd welke wordt ingediend na de datum die is vastgesteld voor de indiening van de andere steunaanvragen "oppervlakten" in de betrokken Lid-Staat, en uiterlijk tegen 1 juli.
4. De braakleggingsaangifte en de teeltaangifte die in het kader van de regeling voor gewassen is voorgeschreven voor een produktie van niet-voedingsprodukten, moeten samen met de steunaanvraag "oppervlakten" worden ingediend of deel uitmaken van deze aanvraag. Voor het jaar 1993 kunnen de Lid-Staten evenwel een vroegere datum vaststellen voor de indiening van deze aanvragen.
5. Van de verplichting om een steunaanvraag "oppervlakten" in te dienen worden die bedrijfshoofden vrijgesteld die
- slechts de speciale premie voor mannelijke runderen en/of de zoogkoeienpremie aanvragen en zijn vrijgesteld van toepassing van het veebezettingsgetal en niet naast deze premies ook de aanvullende premie aanvragen,
- slechts de seizoencorrectiepremie aanvragen,
- slechts de premie voor ooien of geiten aanvragen.
6. In de steunaanvraag "oppervlakten" van elke producent die deel uitmaakt van een producentengroepering als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3493/90 (4) en die voor hetzelfde kalenderjaar naast de premie voor ooien of geiten ook toepassing van een andere communautaire regeling aanvraagt, moeten met name alle door deze groepering gebruikte percelen landbouwgrond worden vermeld. In dit geval wordt het voederareaal over de betrokken producenten verdeeld in verhouding tot hun individuele maxima in de zin van artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3013/89 van de Raad (5) die gelden op 1 januari van het betrokken jaar.
7. Ter wille van een doeltreffende controle bepaalt elke Lid-Staat de minimumomvang van een perceel landbouwgrond waarvoor een aanvraag kan worden gedaan. Deze minimumomvang mag evenwel niet groter zijn dan 0,3 ha.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 2 februari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BH3311
- CBb 15 januari 2007, ECLI:NL:CBB:2007:AZ7201
- CBb 15 januari 2007, ECLI:NL:CBB:2007:AZ7197
- CBb 15 januari 2007, ECLI:NL:CBB:2007:AZ7194
- CBb 15 januari 2007, ECLI:NL:CBB:2007:AZ7191
- CBb 23 mei 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AG1636
- CBb 25 april 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF9574
- CBb 12 april 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AE2675
- CBb 5 april 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AE1426
- CBb 3 oktober 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AD4703
- CBb 23 mei 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB1902
- CBb 18 april 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB1295
- CBb 18 april 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB1294
- CBb 18 april 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB1293
- CBb 22 februari 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB0308
- CBb 7 februari 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AA9888