Art. 11

1. De in deze verordening bepaalde sancties gelden onverminderd extra sancties waarin op nationaal niveau is voorzien.

2. De kennisgeving van de gevallen van overmacht en de bewijzen die daarvan ten genoegen van de bevoegde instantie worden geleverd, moeten schriftelijk bij de bevoegde instantie worden ingediend binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip dat dit voor de landbouwer mogelijk is.

3. Onverminderd concrete omstandigheden waarmee in individuele gevallen rekening moet worden gehouden, kunnen de bevoegde instanties met name de volgende gevallen van overmacht aanvaarden:

a) het overlijden van het bedrijfshoofd;

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van het bedrijfshoofd;

c) onteigening van een belangrijk deel van het landbouwareaal van het door het bedrijfshoofd beheerde bedrijf, indien deze onteigening op de dag van indiening van de aanvraag niet te voorzien was;

d) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in belangrijke mate beïnvloed;

e) het door een ongeluk te niet gaan van de voor de veehouderij bestemde gebouwen van het bedrijfshoofd;

f) een epizooetie die de gehele veestapel van het bedrijfshoofd of een deel ervan heeft getroffen.

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de gevallen die zij als een geval van overmacht erkennen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen